13-08-07

Democratie in de gemeente: het Nederlandse voorbeeld

raadszaal Ede

De gemeenteraadszaal in Ede 

Morgen, 14 augustus 2007, ga ik mijn afstudeerscriptie verdedigen in het hoofdkwartier van Open Universiteit, Heerlen, Nederlands Limburg. Daarmee rond ik - hopelijk! - mijn opleiding Nederlands Recht af. Als onderwerp van mijn scriptie heb ik iets gekozen dat aansluit bij mijn andere interesses: de gemeentelijke democratie. Zoals al gemeld op 31 juli jl. kunnen wij in ons land misschien wel een en ander leren van de manier waarop onze Noorderburen hun gemeenten besturen.

Mijn hele scriptie staat op deze link. Maar omdat de tekst erg juridisch is opgevat - dat moest ook wel om af te studeren in Nederlands recht -, wil ik hier een poging doen om er in een leesbare samenvatting een idee van te geven.

Meer leven in de lokale politiek

Al lang probeert de regering in Nederland de gemeentelijke democratie meer leven in te blazen. Reeds tijdens de laatste rooms-rode regering Lubbers III (1989-1994) is men beginnen sleutelen aan de Nederlandse Gemeentewet. De gemeenteraad kreeg als hoofd van het gemeentebestuur meer bevoegdheden.  Bij het aantreden van de tweede paarse regering - Kok II (1998-2002) - wilde men het roer helemaal omgooien, en bepaalde bevoegdheden van de gemeenteraad overdragen aan het college van burgemeester en wethouders (bij ons schepenen). Maar de uitgangspunten waren dezelfde. Men wilde het politieke gebeuren op lokaal vlak nieuw leven inblazen. Er werd immers vastgesteld dat de partijen steeds maar meer leden verloren en dat het in een aantal gemeenten zelfs moeilijk werd om kandidaten te vinden voor de gemeenteraadsverkiezingen. 

Bij ons is het zo erg niet, hoor ik bepaalde lezers denken. Maar de mindere belangstelling voor de gemeentepolitiek in Nederland is grotendeels te wijten aan specifieke omstandigheden aldaar. In een land waar slechts de helft van de gezinnen een eigen woning bewonen (in Vlaanderen is dat bijna 80%), verhuist men vlugger en heeft men een mindere band met de gemeente en haar bestuur. Bovendien hebben de Nederlandse gemeenten minder beleidsruimte dan in ons land. Het grootste deel van het bestuur van een gemeente is niets anders dan de uitvoering van opdrachten van het centrale gezag. Ook financieel is de situatie helemaal anders: de Nederlandse gemeenten hebben heel wat minder eigen belastingsinkomsten dan bij ons.

Er gaan dan ook in Nederland stemmen op om de gemeentelijke autonomie te versterken. Maar wie in dergelijk ondankbare omstandigheden het bestuur van de gemeente wil democratiseren en de belangstelling van de kiezers wil aanwakkeren, moet wel zeer diepgaand nadenken over de organisatie van de lokale democratie. En daarom kan het resultaat van die democratiseringspogingen ook voor ons interessant zijn.

Staatscommissie Elzinga

De poging van het kabinet Kok II in 1998 bestond erin dat men de scheiding  van de machten in het bestuur van de gemeente wou invoeren. Men koos ervoor om gemeenteraad (raad) en college van burgemeester en wethouders (college) elk hun eigen bevoegdheden te geven (dualisme, noemt men dat in Nederland), in plaats van aan de raad alle  bevoegdheden toe te kennen, die de raad dan naar eigen goeddunken kon delegeren aan het college (monisme). Een 'Staatscommissie Dualisme en lokale democratie' werd opgericht onder leiding van staatsrechtprofessor Douwe Jan Elzinga (van PvdA-strekking).

De Staatscommissie Elzinga leverde een omstandig rapport af, dat door de regering geheel werd bijgetreden. Vooreerst constateerde de Staatscommissie dat de gemeenteraden in theorie oppermachtig waren, maar in de praktijk grotendeels afhankelijk waren van de colleges. Meer dan de uitvoerders van het door de raden uitgestippelde beleid, waren de colleges, met hun kennisvoorsprong en hun apparaat van gemeenteambtenaren, de werkelijke leiders van het gemeentebestuur. De uitgebreide bevoegdheden van de raad waren veeleer een rem op de invloed van de verkozenen van de bevolking. De gemeenteraadsleden moesten zich veel te veel bezig houden met zaken die veel beter door het college konden afgehandeld worden, en konden daardoor hun eigelijke taken als volksvertegenwoordigers en controleurs van het bestuur niet waarmaken.

De Staatscommissie werkte een hele reeks van voorstellen uit. De grote doelstelling was de 'ontvlechting' van functies en bevoegdheden tussen de raad en het college. Aanvankelijk ging de regering 'voortvarend' aan de slag om de voorstellen van de Staatscommissie te realiseren. Maar ondanks het aandringen van de hervormingspartij D'66 (die slechts ontbrak in het kabinet Balkenende I , 2002-2003), zwakten de opeenvolgende regeringen de voorgenomen hervorming van de gemeentelijke democratie stelselmatig af. Toch is het onvoltooide resultaat van de "operatie dualisering gemeentebestuur" indrukwekkend in vergelijking met de kleine hervorming die het Gemeentedecreet in het Vlaamse Gewest doorvoerde. 

Onverenigbaarheid wethouder/raadslid

Het verst is de regering, gevolgd door de Staten-Generaal (parlement) gegaan in de functionele 'ontvlechting'. Zoals op nationaal vlak (en zoals bij ons tussen regering en parlement) is er een onverenigbaarheid ingevoerd tussen de functie van gemeenteraadslid en wethouder. Daarmee kwam een einde aan een dubbelzinnige situatie die nog altijd bij ons bestaat: namelijk bestuurders die zichzelf controleren.

Reeds bij de herziening van de gemeentewet in 1994 was de vertrouwensregel ingevoerd tussen raad en college. Als een of meer wethouders of het gehele college niet meer het vertrouwen had van de raad, kon de raad hen afdanken. Die regel is bij de dualisering nog versoepeld: beroepsmogelijkheden van ontslagen wethouders bij de rechter zijn afgeschaft. Die regeling geeft de Nederlandse gemeenteraden een machtspositie waarvan zij zelf soms niet altijd de omvang schijnen in te schatten. Belachelijke toestanden zoals bij ons met schepenen zonder portefeuille die blijven zitten zonder nog het vertrouwen te hebben van de collega's en van de meerderheid, zijn in Nederland uitgesloten.

Bestuursbevoegdheden van raad en college

Heel wat behoedzamer is men te werk gegaan wat betreft de scheiding van bevoegdheden. Het voorstel van de Staatscommissie was om alle bestuursbevoegdheden aan het college toe te vertrouwen en aan de raad 'alleen nog' (?) de bevoegdheid tot het vaststellen van formele 'verordeningen' (bij ons 'reglementen') en de controlebevoegdheid te laten. Let wel dat die controlebevoegdheid heel ver-strekkend is gezien voormelde macht om wethouders zondermeer op gelijk welk moment af te danken. Toen de regering dat voornemen bekendmaakte, steeg een storm van protest op van politicologen en juristen die daarin een aftakeling zagen van de democratie en van de macht van de rechtstreeks verkozen raad. Als reactie veranderden de hervormers het geweer van schouder, en meer en meer ging men spreken over een 'versterking van de raad en zijn controlebevoegdheden' als doelstelling van de dualisering, in plaats van een 'versterking van de lokale democratie'. 

In eerste instantie hevelde de regering (en de wetgever) een aantal bevoegdheden die her en der in de Gemeentewet waren genoemd over van de raad naar het college. Zo is het voortaan het college dat beslist over de organisatie en de aanwerving van gemeentepersoneel en over alle aankopen en privatiseringen van gemeente-activiteiten. Daarmee beschikt het college nog lang niet over alle bestuurbevoegdheden. Aangezien art. 125 van de Nederlandse Grondwet de gemeenteraad aan het hoofd plaatst van het gemeentebestuur, heeft de raad de algemene bestuursbevoegdheid en moet het college zich behelpen met de expliciet aan hem toegewezen bevoegdheden. Het was aanvankelijk ook de bedoeling om de Grondwet op dat punt te herzien, maar dat is er met al die regeringswisselingen niet van gekomen en intussen heeft men er officieel van afgezien.

Een tweede deeloperatie betrof de vele wetten die aan de gemeentebesturen bepaalde taken opdragen, bijvoorbeeld met betrekking tot het voorzien van basisonderwijs. Het was de bedoeling van de regering om in al die wetten telkens de bevoegdheid te verlenen aan het college in plaats van aan de raad. Ook hier is de regering teruggekrabbeld. Uiteindelijk heeft men aan het college alleen de bevoegdheden toegekend die uitvoering betreffen van kaders vastgelegd door de raad. En waar het delicate onderwerpen betreft, die te maken hebben met levensbeschouwelijke gevoeligheden, is het altijd de raad die mag beslissen, zelfs bij concrete uitvoeringsbeslissingen.

De schouwburg van Elzinga

Om het verschil tussen de aanvankelijke doelstellingen en de uiteindelijke hervorming van de Gemeentewet te illustreren, kan ik wijzen op de "schouwburg van Elzinga". Als voorbeeld van een niet in de Gemeentewet genoemde bestuursbevoegdheid, wees de Staatscommissie op de bevoegdheid om te beslissen of er in de gemeente een gemeentelijke schouwburg kwam. Onder de Gemeentewet van voor de dualisering kwam die bevoegdheid in elk geval toe aan de raad, als een onderdeel van zijn algemene bestuursbevoegdheid als hoofd van het gemeentebestuur. De Staatscommissie wou dat het college daarvoor bevoegd zou worden.

Uiteraard zou een college niet zomaar onverhoeds beslissen een schouwburg te bouwen, maar zou dat gebeuren op aandringen of op suggestie van de raad; maar het zou wel het college zijn die op een bepaald moment de knoop zou doorhakken, onder nauwlettende controle van de raad uiteraard. Door af te zien van de wijziging van de Grondwet en door de raad het hoofdschap van het gemeentebestuur te laten behouden, heeft de regering de beslissingbevoegdheid over de schouwburg van Elzinga uiteindelijk dan toch aan de raad gelaten.

Dualisering onvoltooid

Om het gebrek aan doortastende structurele hervormingen te compenseren, is door de regering nadien de nadruk gelegd op 'culturele' wijzigingen in het gemeentebestuur. Met miljoenen euros overheidssteun werd een campagne opgezet om de gemeenteraden te overtuigen zich minder met het bestuur van de gemeente te bemoeien en zich meer toe te spitsen op controle en kaderstelling. De resultaten waren zeer ongelijk.

Dat heeft mij er in mijn scriptie toe laten besluiten dat het gemeentebestuur niet geheel is gedualiseerd zoals de campagnevoerders van de dualisering het willen laten geloven. Het Nederlandse gemeentebestel is in de grond monistisch gebleven, met weliswaar sterkere dualistische elementen. Ik had het liever wat meer dualistisch gezien. Veel zogenaamde bevoegdheden van de gemeenteraad komen neer op 'bezigheidstherapie', die de raadsleden hopen tijd doen verspelen die ze heel wat politiek nuttiger zouden kunnen besteden.

Maar in vergelijking met het Nederlandse systeem is het Vlaamse nog vele keren meer monistisch. Een operatie dualisering, zelfs al gaat ze slechts zo ver als in Nederland, zou heel heilzaam zijn bij ons. 

31-07-07

Het stadsbestuur van Kortrijk is een club

stadhuis5

Het stadsbestuur van Kortrijk is een club. Zoals alle gemeentebesturen in ons land. En zoals de gemeentebesturen in Nederland. Daar is men willen afstappen van dat clubgedoe. De poging - de operatie 'dualisering gemeentebestuur - is niet helemaal uit de verf gekomen. De gemeenten, van Amsterdam tot Zaltbommel, worden er nog bestuurd zoals een deftige vereniging, maar de manier van aanpak is er toch al veel volwassener dan ten zuiden van Lapscheure. Daarover gaat mijn scriptie Nederlands recht.

Veelal gaat men ervan uit dat het gemeentebestuur, gemeenteraad en college van burgemeester en schepenen, op lokale schaal functioneert zoals het parlement en de regering op niveau van het land. Dat is verkeerd.

(Geen) scheiding van de machten

Op Belgisch en Vlaams niveau is er een scheiding van de machten. De regering bestuurt; het parlement, de vergadering van de verkozenen van het volk, benoemt die regering en stuurt ze aan door wetten (decreten) goed te keuren die de regering heeft voorbereid en die ze dan moet uitvoeren. Het parlement controleert nauwgezet de regering die het heeft benoemd. De wetgevende macht wordt gedeeld tussen regering en parlement, waarbij de regering het eerste woord heeft en het parlement het laatste. De regering heeft de uitvoerende macht, het parlement de controlerende macht. Bestuur en controle zijn strikt gescheiden. Het is een democratische taakverdeling die haar nut al meer dan tweehonderd jaar heeft bewezen. Het is ook een subtiele verdeling van de macht, waarbij beide machten elkaar in evenwicht houden en waardoor willekeur zoveel mogelijk wordt voorkomen. Een laatste bedoeling van dat systeem is dat er in alle openheid een politiek debat wordt gevoerd over het bestuur; zo kunnen de kiezers met kennis van zaken (in theorie althans) om de zoveel jaar ministers, parlementsleden en hun partijen vertrouwen geven of naar huis sturen.

Hoe anders is dat op lokaal vlak! Een gemeente, zelfs als het een stad is, wordt bestuurd als een vereniging. De bevolking kiest een algemene vergadering, de gemeenteraad, die op haar beurt een dagelijks bestuur benoemt, het college van burgemeester en schepenen (het schepencollege). In tegenstelling met parlement en regering is het op lokaal vlak de gemeenteraad die bestuurt (althans in theorie). Het is bijvoorbeeld de gemeenteraad die het gemeentepersoneel benoemt, terwijl het op nationaal vlak de regering is die de ministeries van personeel voorziet. De gemeenteraad heeft "volheid van bevoegdheden" zegt het Vlaamse Gemeentedecreet in zijn speciale taaltje.

Het schepencollege heeft slechts de bevoegdheden die de gemeenteraad afstaat. Maar in de praktijk is het schepencollege oppermachtig en is de gemeenteraad hoofdzakelijk een stemmachine, waarbij de meerderheid àlles goedkeurt wat het college op tafel gooit en de oppositie ... bijna alles. In iedere zitting van de gemeenteraad zijn er wel enkele puntjes waarover de minderheid opmerkingen maakt en soms - heel zelden - een wijziging van de ontwerpbeslissing voorstelt, maar de meerderheid maakt daar uiteindelijk nagenoeg altijd korte metten mee. Als er iemand van de meerderheid het woord vraagt, is het meestal om het college te feliciteren of om in het vooruitzicht van het antwoord van de betrokken schepen de opmerking van de oppositie in twijfel te trekken.

Negentiende-eeuws

Eigenlijk vormen raad en college geen onderscheiden machten in de Vlaamse gemeente. Er is slechts een zekere taakverdeling, waarbij het schepencollege niet meer is dan de commissie van de gemeenteraad die belast is met het dagelijkse bestuur. Dat is nu juist de manier waarop een ernstige vereniging is georganiseerd: de algemene vergadering beslist in theorie over alles maar benoemt veelal een dagelijks bestuur om voor de club de dringende en minder belangrijke beslissingen te nemen. Die algemene vergadering, de gemeenteraad dus, is niet het parlement van de club maar is het bestuur zelf. Het dagelijkse bestuur, het schepencollege, is geen regering, die eigenstandig bestuurt, maar een uitvoeringscommissie met wisselende opdrachten.

Dat men in de 19de eeuw geen scheiding van machten wou doorvoeren op het lokale vlak, is heel verstaanbaar. De toenmalige stadjes en dorpen waren piepkleine gemeenschappen waar iedereen iedereen kende en controleerde - bah!, maar dat geheel ter zijde. Een systeem waarin verschillende machten elkaar in evenwicht hielden, was simpelweg overbodig. Een schepencollege dat over de schreef liep, werd bij de volgende verkiezingen niet alleen weggestemd, maar werd onmiddellijk weggepest uit de lokale gemeenschap. Bovendien hield het bestuur van een gemeente toen onvergelijkbaar veel minder in dan vandaag.

Publieke debatten over de grote keuzes

Vandaag is de toestand grondig anders. De gemeentebesturen beslissen over miljoenen euro's uitgaven en belastingsinkomsten; vaak zijn ze de grootste werkgever op hun grondgebied, en wat in het gemeentehuis wordt besloten, is bepalend voor tal van aspecten van het leven van de bevolking. Terzelfdertijd is die bevolking niet meer zo direct op de hoogte van wat er op het stadhuis bedisseld wordt. Hoogstens leest men nu en dan nog eens iets over een debatje in de gemeenteraad, maar de grootste nieuwsbron over de gemeente zijn de persberichten van het schepencollege, dat zijn eigen realisaties uiteraard eenzijdig toejuicht.

En het is opvallend dat die debatjes in de gemeenteraad zelden gaan over de fundamentele keuzes die moeten gemaakt worden - beleidsplannen, uitgewerkt door de gemeentediensten volgens richtlijnen van de hogere overheid, worden meestal zonder veel discussie unaniem goedgekeurd. Het is veel gemakkelijker voor een raadslid om in de pers te komen met een interventie over een bevattelijk, concreet detail, bijvoorbeeld de bouwvergunning voor een verlichtingsmast die tot schrik van de omwonenden uiteindelijk een gsm-mast blijkt te zijn (Philippe De Coene in de gemeenteraad van juli 2007). Let op: ik vind het te berde brengen van de verzuchtingen van de bevolking in de gemeenteraad zeer zinvol; maar het zou daarbij niet mogen blijven.

Dat is geen kritiek op de gemeenteraadsleden van Kortrijk; het ouderwetse, 19de-eeuwse systeem waarin het gemeentebestuur momenteel draait, leent zich niet tot publieke debatten over de grote keuzes die een stad of gemeente moet of kan maken. En als die debatten niet worden gevoerd, hoe kunnen de kiezers dan uiteindelijk met kennis van zaken een keuze maken tussen wat de verschillende partijen voorstellen?

Mogelijke modernisering

Een modernisering van het gemeentelijk bestel zou kunnen zijn dat er een scheiding van machten wordt doorgevoerd zoals op nationaal of Vlaams niveau. Creëer een lokaal parlement dat als hoofdtaak heeft: het uitklaren en vastleggen van de essentiële keuzes en plannen voor de gemeente. Dat parlement moet geen denktank worden van experten (zoals er hoe langer hoe meer worden opgericht buiten de gemeenteraad, zoals de gecoro, de milieuraad, Leiedal...) maar moet een vergadering worden van verkozen vertegenwoordigers van de bevolking; en wat is dat anders dan de gemeenteraad? En geef het college van burgemeester en schepenen (nog) meer vrijheid om zich uit te leven bij het besturen van de gemeente. Laat de gemeenteraad daar nauwgezet op toezien en geef de raad de nodige middelen om zo nodig de schepenen bij te sturen. Om de zes jaar volgt de grote evaluatie bij de gemeenteraadsverkiezingen en beslissen die kiezers of ze het met het gevoerde en voorgestelde bestuur en met de keuzes van de partijen eens zijn of niet.

Stap ervan af de gemeenteraad de illusie te geven dat hij de gemeente bestuurt. 90% van de huidige agendapunten zijn puur bezigheidstherapie voor de raadsleden, die denken dat zij beslissen maar in feite slechts hun overbodige handtekening plaatsen onder beslissingen van het schepencollege (waarvan de dossiers veelal voorgekauwd zijn door de gemeentediensten). Door de gemeenteraad daarvan te verlossen, krijgt hij de ruimte om zich meer met de grote lijnen bezig te houden.

Dat alles veronderstelt dat er een grotere afstand komt tussen college en raad. Burgemeester en schepenen zijn nu eigenlijk de kopmannen en -vrouwen van de gemeenteraadsleden van hun partij. Ze zijn zelf niet alleen schepen maar ook nog gemeenteraadslid, en controleren dus mede zichzelf. Een serieuze scheiding van machten is onmogelijk als er geen onverenigbaarheid wordt ingevoerd tussen de functie van gemeenteraadslid en schepen (of burgemeester).

Scheet in een fles

Sinds nieuwjaar 2002 zijn het in ons land de Gewesten die grotendeels bevoegd zijn over de organisatie van de lokale besturen. Dat gaf het Vlaamse Gewest de kans om in een Gemeentedecreet ter vervanging van de federale Gemeentewet het gemeentelijke bestel grondig bij te sturen. Er is aan dat Gemeentedecreet heel lang gewerkt; het is pas afgekondigd op 15 juli 2005. Het resultaat is evenwel teleurstellend. "Een minidecreet" zegt de Hoge Raad voor Binnenlands Bestuur; "een scheet in een fles" voor de goede verstaander.

Een aanvankelijk voorstel om de schepenen en de burgemeester hun lidmaatschap van de gemeenteraad te ontnemen, is afgevoerd. Bye bye scheiding van machten, want die functionele scheiding is het minimum. Toch zegt de memorie van toelichting van het decreet zonder verpinken een de gemeenteraad "een meer onafhankelijke positie te geven t.o.v. het college". Schuchtere stapjes in die richting zijn dat de gemeenteraad voortaan zijn eigen voorzitter kan kiezen (waar dat voorheen automatisch de burgemeester was) en dat de gemeenteraadscommissies niet meer voorgezeten worden door schepenen maar door gemeenteraadsleden. Dat de Kortrijkse gemeenteraad burgemeester Stefaan De Clerck als voorzitter heeft benoemd, typeert de ouderwetse ingesteldheid van de meerderheid (CD&V en Open VLD).

De grote doelstellingen van het Gemeentedecreet zijn in geen geval ingelost. Het was de bedoeling de rol van de politieke organen en vooral de beleidsbepalende rol van de gemeenteraad te versterken en om meer ruimte te geven voor het politieke debat in de raad. Daartoe biedt het Gemeentedecreet nauwelijks meer middelen dan de goede oude Gemeentewet. De gemeenten in Vlaanderen blijven bestuurd als de eerbiedwaardige clubs aangesloten bij A.Vi.Bo (Algemene Vinkeniersbond).

De weinige mogelijkheden gebruiken

Maar keren wij terug naar Kortrijk. In het bestuur van onze stad zouden wij toch al kunnen gebruik maken van de weinige mogelijkheden die het gemeentedecreet biedt. De bevolking heeft recht op een boeiend politiek debat dat nooit ophoudt in het stadhuis; zo kunnen de kiezers zich een gefundeerd oordeel vormen en kan de vervreemding tussen de mensen en de plaatselijke politici weggewerkt worden. Enkele voorstellen van een gemeenteraadslid, uw dienaar.

Voorzitterschap van de gemeenteraad: Vervang burgemeester Stefaan De Clerck als voorzitter van de gemeenteraad door een gemeenteraadslid dat niet in het schepencollege zit. Stefaan De Clerck zou een uitstekende voorzitter zijn van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Hij heeft de vereiste onafhankelijkheid van geest en de nodige ervaring. Maar hij is een slechte gemeenteraadsvoorzitter. Nog afgezien van zijn weidse en barokke spreekstijl kan hij het niet laten zich in elk debat te moeien en zonder uitzondering het laatste woord te nemen. Als gedreven burgemeester - wat hem tot eer strekt! - kan hij immers niet genoeg afstand nemen om de discussies in de gemeenteraad van Kortrijk op een degelijke en neutrale manier te leiden.

Maak een lijst van 'hamerstukken': Hou de gemeenteraad niet langer nodeloos bezig met punten waar geen enkele discussie over bestaat. In Nederland noemt men dergelijke punten 'hamerstukken': ze worden met een hamerklop van de voorzitter zonder stemming goedgekeurd. Het heeft geen enkele zin en het is hoogst ergerlijk telkens weer de voorzitter meer dan 90% van de agendapunten te horen aflezen en formeel te horen vragen of er geen 'bemerkingen' (een germanisme - dat Frans De Stoop daar nooit op gewezen heeft! - in het Nederlands zijn er neutrale 'opmerkingen' of negatieve 'aanmerkingen') zijn in de raad. Laat in de drie voorbereidende gemeenteraadscommissies een lijst maken van de dossiers waarover geen discussie bestaat en laat die lijst dan in 1 enkele trek goedkeuren door de gemeenteraad. Dat is een tijdsbesparing van zeker een paar uren, die aan interessantere gedachtewisselingen kunnen worden besteed.

Maak de commissies interessanter: De gemeenteraadscommissies zijn momenteel nog altijd hoofdzakelijk formele bedoeningen, waarvan de gemeenteraadsleden niet veel meer opsteken dan een extra zitpenning. Ze blijven beperkt tot het rap-rap-rap overlezen van een deel van de agendapunten van de gemeenteraad, waarbij de raadsleden enkele technische vraagjes kunnen stellen aan de betrokken schepen. Dat de schepen voor het beantwoorden van technische vraagjes niet de aangewezen persoon is - de aangewezen persoon is de betrokken ambtenaar -, is blijkbaar nog nooit bij iemand opgekomen. De commissies zouden nuttiger werk kunnen leveren door bijvoorbeeld, los van de agenda van de gemeenteraad, besprekingen, hoorzittingen en werkbezoeken te organiseren over actuele of belangrijke dossiers. De vermindering van het aantal raadscommissies van vier naar drie, "omdat er te weinig gespreksstof is voor vier", is een capitulatie geweest voor de passieve commissiewerking.

Een niet onbelangrijk detail: geef de commissies een degelijke werkruimte. De erbarmelijke manier waarop de commissies moeten vergaderen in het stadhuis is typisch voor de onderwaardering (om niet te zeggen de minachting) ten opzichte van de commissiewerking. Je wordt in een of andere niet te verlichten alkoof van het historische stadhuis gepropt en vergader dan maar rond een krakkemikkige tafel waarrond nooit genoeg stoelen kunnen staan voor alle deelnemers. Je leert er wel vlug gebruik te maken van je dijen om iets te noteren. Vergeet het om tijdens commissievergaderingen gebruik te maken van je laptop.

Geef de gemeenteraad de regie over zijn eigen vergaderingen: Er is nog een tweede euvel naast het ergerlijke tijdverlies met het afwerken van de agendavulling. De gemeenteraadsvergaderingen worden ook teveel bezig gehouden met vragen van raadsleden. Dat kan tegenstrijdig klinken met mijn oproep voor meer politiek debat, maar dat is het niet. Ik heb niets tegen het aanbrengen van punten door gemeenteraadsleden waarover enige beroering bestaat onder de bevolking; zelfs al gaat het om details. Maar er moet altijd voldoende vergadertijd over zijn om debatten te houden over de hoofdlijnen. Bovendien kan men als raadslid vragen stellen op verschillende manieren: als een tijdig ingediende interpellatie, als een onaangekondigde mondelinge vraag op het einde van de vergadering en als een schriftelijke vraag (al dan niet achteraf gepubliceerd in het bulletin van vragen en antwoorden). Vertegenwoordigers van de verschillende fracties zouden een soort presidium moeten kunnen vormen om in onderling overleg al die vragen in goede banen te leiden. Op die manier zou dat presidium de vragen die aan bod komen in de gemeenteraad kunnen selecteren en de andere schriftelijk kunnen laten afwerken. Op de geselecteerde thema's zou dieper kunnen ingegaan worden. Het zou de gemeenteraadszittingen veel boeiender kunnen maken.

Raadsleden, stop ermee zogenaamde voorstellen neer te kwakken: Een gemeenteraadslid kan de agenda van de gemeenteraad, opgestelkd door het schepencollege, aanvullen met vragen en voorstellen. Ooit kwam iemand op het onzalige idee om de voorstellen van raadsleden op de agenda van de gemeenteraad voorrang te geven op de vragen. Het gevolg is dat het aantal voorstellen enorm steeg. Wie een thema wil te berde brengen op de gemeenteraad, verpakt dat in een voorstel om eerst aan bod te komen. Dat die zogenaamde voorstellen bijna nooit 'stembaar' zijn, wordt als niet belangrijk beschouwd. En eigenlijk is het niet de taak van de raadsleden om schepen te spelen met concrete bestuursvoorstellen. Hoogst uitzonderlijk kan het indienen van een voorstel beschouwd worden als een ultieme vorm van beleidscontrole: als het college onwillig is een bepaald dossier uit te werken, kan de raad het zelf aanpakken. Raadsleden moeten geen concrete voorstellen uitwerken, maar de grote lijnen uitstippelen en de beleidskeuzes maken waarbinnen het schepencollege dan concrete realisaties moet uitwerken. De beste raadsleden verliezen geen tijd met voorstellen, maar gooien zich volop op hun controletaak.

Geef de gemeenteraadsleden de geschikte middelen voor hun controletaak: Als raadslid beschik je bijna over evenveel rechten als een onderzoeksrechter om in de stadsadministratie in dossiers te gaan snuffelen. Maar begin er maar aan. Je bent altijd afhankelijk van de goodwill van de dossierbeheerder (ambtenaar), en als de betrokken schepen van je snuffelpoging op de hoogte geraakt, is die ambtenaar nog meer op zijn hoede. Waarom krijgen de raadsleden geen brede toegang tot alle elektronische documenten op het stadhuis? Wanneer komt er eindelijk een intranet, waarlangs de gemeenteraadsleden met een paswoord, onbeperkt kunnen 'surfen' in de dossiers zoals opgeslagen in het netwerk van de stadsadministratie?

Ik besef dat ik ver verwijderd ban geraakt van het onderwerp van mijn scriptie Nederlands Recht. Die scriptie gaat immers over het Nederlandse gemeentebestel. Maar ik wou het toch betrekken op Kortrijk, waar ik nu 20 jaar gemeenteraadslid ben - een van de redenen waarom ik een onderwerp heb gekozen met betrekking tot het gemeenterecht. Over Nederland bericht ik in een ander stukje.