25-02-07

Alternatieve stadswandeling door Kortrijk: rood textiel

De Kien1

 

Zie: Kortrijk onvermoede hoekjes

01-10-06

ZONDAG 1 OKTOBER 2006: de Watermeulen, een dorp met verschillende gezichten

wm1

Het was in oeroude tijden de eerste stopplaats voor wie van Kortrijk naar Brugge trok: de oversteek en later de brug over de Heulebeek. Van diezelfde beek maakten de heren van Heule gebruik om er een watermolen in pacht te laten draaien. Het dorp dat daarrond ontstond, gelegen op de grens van drie gemeenten, heeft zich nooit ontwikkeld tot zelfstandige gemeente, wel tot een parochie. Intussen is het dorp veranderd in een groene voorstad van Kortrijk, maar je vindt er nog veel onvermoede schilderachtige hoekjes, die tonen hoe het vroeger was. 

Oeroud dorp

De Watermeulen (Watermolen in bijgeschaafd Nederlands) was voor de fusie van de gemeenten in 1976 een groot gehucht, dorp eigenlijk, op de grens van de gemeenten Heule en Kuurne en stad Kortrijk. Sindsdien behoort het integraal bij 'groot'-Kortrijk. In 2004 is een groot deel van de dorpskern beschermd als monument. En met reden: het is het meest authentieke dorpje dat je op het grondgebied van Kortrijk kunt bezoeken. De tijd heeft er stilgestaan sinds de 19de eeuw.

Samen met de vallei van de Heulebeek, die niet altijd fris riekt maar wel zeer schilderachtig meandert, en enkele mooie nieuwe wijken vol bloemen en planten, is de Watermolen zeker een bezoek waard. En een verleden met verschillende brouwerijtjes leeft voort in een keuze van stemmige dorpscafés.

Hoewel het nooit een zelfstandige gemeente is geworden, is het dorp oeroud. Het is ontstaan bij de kruising van de heirweg van Kortrijk naar Brugge en de Heulebeek, die in vroeger tijden een bevaarbare waterloop was (dat zal wel met platbodems geweest zijn). Precies daar heeft de Heulebeek een wat groter debiet, achter de samenvloeiing met haar zijriviertje, de Vlaanderenbeek. Daarvan is gebruik gemaakt om er de watermolen te bouwen waaraan de nederzetting zijn naam dankt. Een derde factor voor het ontstaan van een dorp was dat de heirweg zich net daar splitste in een weg naar Brugge en een andere weg naar Izegem.

Heirweg naar Brugge

Tot 1750 passeerde de hoofdweg van Kortrijk naar Brugge door de Watermolen. Landvoogd Karel van Lorreinen liet toen een nieuwe weg bestraten die nu nog altijd de Brugsesteenweg is. Aangezien de weg door de Watermolen zich daar vertakte, werd hij sindsdien meestal de Izegemsestraat genoemd.

De oude weg naar Brugge volgde na de Watermolen het tracé van de weg die nu de Heirweg is. Stel je bij de term 'hoofdweg' geen autostrade voor. Die wegen waren heel smal, en dat kun je nog waarnemen bij het begin van de Heiweg in de Watermolen.

Banmolens

De heren van Heule, trawanten van de graaf van Vlaanderen, kregen van hun opperhoofd het recht om alle graan in de 'heerlijkheid' (wingewest) Heule te laten malen in hun molens. Dat recht werd in het middeleeuwse recht het "vry molayge" genoemd en de molens die daarvoor werden gebruikt "banmolens". Het was voor de boeren die het ongeluk hadden in de heerlijkheid te wonen, een zware last.

In Heule waren er twee banmolens, een watermolen op de Heulebeek en een windmolen op de plaats waar nu het plantsoen is van het begin van de Molenstraat aan de Izegemsestraat. Natuurlijk was het uitgesloten dat de heertjes van Heule - op het laatst graaf d'Ennetière - hun edele handen zouden vuilmaken: zij verpachtten de tuigen tegen grof geld (of tegen een deel van het meel). Wind- en watermolen werden altijd samen verpacht.

De windmolen was een staakmolen. In 1887 waaide hij om. Molenaarszoon Georges Dutoict schoot daarbij het leven in.

De watermolen staat al vermeld in officiële documenten van 1284. Hij bleef in dienst tot 1942, toen de laatste molenaar, André Vanhoutte overschakelde op elektrische drijfkracht. Vandaag zou men de oude watermolen koesteren als industriëel erfgoed, maar halverwege de vorige eeuw zag men het nut van het bewaren niet in. In februari 1955 werd het ijzeren rad opgekocht en afgebroken door de 'oudijzermarchands' Casier van Zwevegem en Arseen Vandenbroucke van de Watermolen zelf. Het molenbedrijf werd helemaal stopgezet in 1977.

Ik wil mijzelf niet in de geschiedenis van de Watermolen wringen, maar enkele jaren geleden stelde ik in de gemeenteraad (in commissie, bij de bespreking van de vernieuwing van het brugje ter hoogte van de watermolen) voor om de restanten van de molen in het metselwerk van de oevers zorgvuldig te bewaren. Wie weet dat men ooit de middelen zou vinden om de watermolen te restaureren. Men heeft mij niet gevolgd.

Ik blijf ervan overtuigd dat een draaiend rad in de Heulebeek een toeristische troef zou zijn. We zouden er wat groene elektriciteit mee kunnen opwekken. En bovendien zou het wat meer zuurstof in het beekwater brengen, wat gunstig zou zijn voor de geur.

Intussen kun je er wel nog een stuk oeverwand in gerecupereerde natuursteen zien maar niets mee van de aanvoergeul en het gat waarin de spil van het rad zat. Wel ligt de bedding van de Heulebeek daar vol stenen en je kunt, als je goed kijkt, nog een aanzet opmerken van de ronde geul waarin het waterrad draaide.

Parochie

Kerkelijk is de Watermolen wel een entiteit geworden, zij het laat in de geschiedenis. Op 'Watermeulen Plaetse', het verbrede deel van de Watermolenwal, stond ooit een kapelletje, voor het huis der kinders Nuyttens, die een van de vele brouwerijen van de Watermolen uitbaatten. Het was gewijd aan Sinte Godelieve, aanroepen tegen keel- en oogziekten. 

Bij een verbouwing van het brouwershuis stond de kapel in de weg. Het beeld kreeg een nieuwe plaats in de grote kapel, met de afmetingen van een kerk, die de vrome Ursula Dinnecourt in 1868 liet bouwen op hetzelfde pleintje. De moeder van Ursula, weduwe Dinnecourt-Carpentier had in 1845 de aanpalende kloosterschool opgericht.

Eerst werd het dorp rond de kapel van Sint-Godelieve (zowel het Heulse deel als dat van Kortrijk en dat van Kuurne) bij koninklijk besluit van 1886 erkend als annexe van de parochie van Heule-kerke, met een eigen priester. In 1907 werd dan een volwaardige parochie Sint-Godelieve opgericht. Een jaar later werd wat verderop aan de Watermolenwal een eigen kerkhof geopend. Het schilderachtige kerkje met de neo-barokke toren is enkele jaren geleden grondig vernieuwd, nadat het gebouw was uitgebrand bij herstellingswerken.

Monument van een dorp

Bij ministerieel besluit van 30 april 2004 (Vlaams minister Paul Van Grembergen, spirit) werd een groot deel van de dorpskern van de Watermolen beschermd als monument. Niet minder dan 22 arbeidershuisjes uit de 19de eeuw (of ouder?) in de Izegemsestraat en de Heirweg zijn sindsdien erkend als monument. In de motivatie van het besluit wordt gezegd dat het een gaaf bewaard geheel is in het centrum van een gehucht. De eenheid wordt niet doorbroken door nieuwbouw die uit de band springt.

De minister laat zijn bewondering blijken in het ... latijn: "het dorp is een representatief voorbeeld van 'architectura minor' (bescheiden bouwkunst)". In heel het Vlaamse land zijn nog weinig dergelijke dorpskernen te vinden met arbeidershuisjes met witgekalkte of witgeschilderde gevels, veelal met goed bewaard schrijnwerk, beluikte ramen en ramen met 'roedeverdeling' (onderverdeeld in kleine ruitjes).

Een bijzondere vermelding verdienen de huisjes Heirweg 255-271, die aanleunen tegen de omvangrijke Watermolenhoeve (vroeger op het grondgebied Kuurne en daarom veel te weinig bestudeerd door Heulse geschied- of heemkundigen). Die huisjes vormen een prachtig voorbeeld van een beluikje in landelijke context, aldus het beschermingsbesluit.

Behalve die beschermde huisjes in de onmiddellijke omgeving van de vroegere watermolen en de brug kun je ook nog op andere plaatsen in het dorp dergelijke bebouwing aantreffen. Zij het dan in veel slechtere toestand, zoals in de Iepersestraat en verder in de Heiweg. In het begin van de Bozestraat staan er nog een paar piepkleine, waarschijnlijk door de eerste bewoners zelf gebouwde woningen, heel wat dieper dan de straat, in de winterbedding van de Heulebeek. Zij getuigen van een heel andere visie op ruimtelijke ordening en rooilijnen in vroegere tijden.

Ook beschermd is het voormalige molenaarshuis, Watermolenwal 11. Dat mag niet verward worden met het molenhuis waarin het watermolenmechanisme zat. Dat molenhuis in in 1979 door stad Kortrijk aangekocht en zeer doordrijvend verbouwd als jeugdlokaal voor Chiro Tsjoef. Het molenaarshuis aan de overkant van het straatje wordt in het beschermingsbesluit omschreven als een goed bewaard 19de-eeuws molenaarshuis met bijhorende opslagplaats, gelegen op een site waarvan de oorsprong minstens teruggaat tot in de 13de eeuw. Het huis is typisch voor de burgerij van honderdvijftig jaar geleden: een dubbelwoning van vijf traveeën en twee bouwlagen, die de rijkdom en de status van de bewoners moest aantonen.

Naar verluidt, ligt op de parking op de andere oever van de Heulebeek een originele molensteen uit de vroegere maalderij Vanhoutte.

Wijken in de bloemetjes

Een volkscafé op de hoek van de Bozestraat met de Izegemsestraat draagt de fiere naam 'Ons Dorp'. Maar de Watermolen omschrijven als een dorp, is een beetje geforceerd. De nederzetting sluit al eeuwenlang aan bij de noordelijke lintbebouwing rond de Izegemsestraat van stad Kortrijk. Er was en is als het ware meer open ruimte tussen de Watermolen en Heule dan tussen de Watermolen en de Kortrijkse wijk Overleie. In het Kortrijkse deel van de Izegemsestraat stoot je trouwens op 16de eeuwse bebouwing, beschermd maar jammergenoeg leegstaand en zonder herbestemming.

Het dorp heeft intussen de allures van een riante voorstad van Kortrijk gekregen, door verschillende verkavelingen sinds de jaren 70. Het zijn buurten geworden zonder doorgaand verkeer, met een weelde aan groen. De Waterhoek bijvoorbeeld is een straat die gerust mag meedingen in de competitie van de meest bebloemde woonstraat. Openbaar groen en kleurrijke voortuinen steken er mekaar naar de kroon.

Een bijzondere vermelding verdient het Ringerf, een woonbuurt met in de Iepersestraat de enige toegang voor wagens. Het is een realisatie van Immobiliën Vennootschap van België, met kavels waarop vanaf 1982 werd gebouwd. De straatjes, die alle genoemd zijn naar een oud ambacht, geven er uit op een binnenpleintje, het Neringenplein. Dat pleintje is uitgewerkt als een stemmige boomgaard op een gazon, zoals je er ooit wel moet aangetroffen hebben nabij de hoeven in de omgeving. Opvallend op de Watermolen is dat de verkavelingen bijna geen alleenstaande woningen bevatten; het gaat meestal om koppelbouw of rijwoningen met voortuintjes.

De 'ring' waarnaar de naam Ringerf verwijst, is het Ring Shopping Center aan de overkant van de Heulebeek. De wijk is ermee verbonden door een voetgangers- en fietsersbrugje. Het is een van de voordelen van op de Watermolen te wonen: je hebt er de grootste keuze aan winkels en grootwarenhuizen op loopafstand.

Nochtans wordt dat voordeel in Kortrijk niet zo geapprecieerd. Het handelscomplex wordt steevast Shoppingcenter Kuurne genoemd, hoewel het sinds de fusie Kortrijks grondgebied is. Omdat men bang was van de concurrentie met de winkels in de binnenstad, heeft het stadsbestuur nimmer enige inspanning gedaan om het Ring Shoppingcenter te integreren in het Kortrijkse commerciële leven. Ten onrechte, vind ik persoonlijk. Het is er nu, maak er dan een troef van!

Het is natuurlijk een beetje schokkend als je, kuierend op het prachtige pad tussen de Watermolen en het Ringerf plots geconfronteerd wordt met het mastodontcomplex op de andere oever. Precies dat stuk van de Heulebeek wordt gekenmerkt door een diepe insnijding in het landschap en met glooiende oevers met drassige weiden waarop bonte koetjes hun best doen om niet in het water te sukkelen.

Voor een drastisch landschapsherstel is het te laat; je zou er het Ring Shoppingcenter moeten voor slopen. Maar enige landschapszorg zou geen kwaad kunnen, bijvoorbeeld door aanplantingen van enkele bosjes. Een compensatie is dat Natuurpunt Kortrijk, vlak naast de mooie Ringerfwijk een natuurgebiedje beheert van zowat 1,5 ha. De grond is een aflopende lange weide van de Iepersestraat tot de Heulebeek. Het is eigendom van het OCMW.

En nu we het toch over de vallei van de Heulebeek hebben: het zou prachtig zijn mocht het wandelpad op een van de oevers doorgetrokken worden stroomopwaarts voorbij Watermolenplaatse. Komende van Heule kronkelt de beek daar door maagdelijk landschap met uitzicht op bijvoorbeeld Preetjes Molen.

wm2

 

Meer foto's op http://kortrijkonvermoedehoekjes.skynetblogs.be/post/3739...

 

24-09-06

ZONDAG 24 SEPTEMBER 2006: potten p(b)akken aan de Gouden Splete

 

Istambul heeft zijn Gouden Hoorn. Kortrijk zijn Gouden Splete. Maar buiten een paar hoogbejaarde Overleienaars, is iedereen die naam vergeten. Van een onvermoed hoekje gesproken! Onvermoed is ook de bewogen geschiedenis van die hoek van de stad. Volg mij naar de Meensepoort, de Mosselbank, de Pottenbakkershoek, de Graaf de Smet de Nayerlaan en de Meensestraat. Zelfs de zoon van de eigenzinnige koning Willem I vond de plek indertijd, 1829, een bezoek waard.

Het is een van de drukste kruispunten van Kortrijk: de Menenpoort. Honderden zo niet duizenden mensen rijden er elke dag achteloos voorbij, niet beseffend hoe interessant het al te grote verkeersplein wel is. Ooit was het de noordwestelijke toegangspoort van de stad, een verdedigingsbouwwerk en later een tolkantoor. En zowel binnen als buiten de stadsvestingen was het een van de levendigste en dichtst bewoonde volksbuurten van Overleie, "la basse ville".

Van die veelzijdige geschiedenis zijn nog altijd sporen te zien, als je wat naderbij gaat kijken. Geen plaats voor een fikse wandeling, wel voor een bezoek waarbij je je nieuwsgierigheid kunt laten prikkelen. Dat kun je zelfs al zittend doen, op een van de mooiste caféterrassen van Kortrijk.

Poort

Op de Menenpoort stond vroeger wel degelijk een stadspoort, de Bissegempoort genaamd, een onderdeel van de wisselende versterkingen die Kortrijk moesten beschermen tegen al die legerbenden die hier voorbijtrokken. Rond 1800 werd de middeleeuwse poort gesloopt en in 1827 vervangen door een elegante classicistische sierpoort die diende als bareel voor het innen van accijnsen (octrooien) op alle goederen die de stad werden ingevoerd.

Het was de Hollandse tijd en de poort werd genoemd naar koning Willem I der Nederlanden. Zijn zoon, erfprins van Oranje-Nassau en de latere koning Willem II, bezocht op 4 oktober 1829, een jaar voor de Belgische opstand, het bouwwerk dat aan zijn vader was gewijd. In 1860 werden de gemeenten in België verlost van de korvee om belastingen (octrooien) te heffen aan de gemeentegrenzen. Het Gemeentefonds werd opgericht om de gemeenten jaarlijks een toelage te geven in vervanging van die octrooirechten. De Willemspoort, die na de Belgische onafhankelijkheid Menenpoort werd genoemd, had dus geen functie meer. In 1874 werden de laatste overblijfselen afgebroken.

Jeanette

De plaats van de poort lag jarenlang braak, maar in 1932 werd er een parkje aangelegd. Ook daarvan schiet niet veel meer over; alles moest wijken voor het autoverkeer, vooral bij de grote verbredingswerken aan de Brugse- en Meensestraat in 1967, waarbij tientallen huizen en herbergen sneuvelden aan de kant van het Astridpark. Maar de grote plataan omringd door struiken van paplaurier is nog een overblijfsel van het parkje.

Onder de plataan staan twee authentieke straatventerskramen. Het ene is een krantenkiosk, waar je voor het krieken van de dag al jouw dagelijkse leesvoer kunt ophalen, het vroegst van heel Kortrijk. Het andere kraam is een van de weinige frietkarren die in onze stad nog op de openbare weg staan opgesteld. De zaak wordt nog altijd uitgebaat door Jeanette, de dochter van Stafke, onze groetenboer van in de Antoon Van Dycklaan in mijn jeugd.

Wat weinigen weten, is dat achter die kramen nog de enige openbare pissijn van Kortrijk te vinden is. De niet goed onderhouden voorziening wordt geapprecieerd door de Overleise supporters van KVK, als ze na een thuismatch en enkele pintjes halverwege op de terugweg zijn aanbeland.

Het is daar altijd een druk verkeersknooppunt geweest. Komende vanuit Overleie (Meensestraat) of vanuit het stadscentrum (Noordstraat) kun je er zowel de weg naar Menen, Moorsele of Heule inslaan, zonder de Graaf de Smet de Nayerlaan te vergeten, die je naar Heule-Watermolen (de oude weg naar Izegem) brengt. Dat was dus een goede ligging voor activiteiten zoals de verhuur van koetsen. Pierre Van Houtte, waard van Au Cheval Blanc vooraan in de Meensesteenweg, verhuurde koetsen tot rond 1900. Ook nu nog tref je in de omgeving van de Menenpoort een paar verhuurders van auto's en vrachtwagens.

Potten bakken

Die hoek van Overleie was vroeger een centrum van potten- en pijpenbakkerij. Verdwenen is de ooit beroemde pijpenbakkerij van de familie De Bevere, gesticht in 1800 in de Meensestraat op de plaats waar de jongste uitbreiding van het Astridpark plaatsvond. In de jaren dertig was het de enige pijpenfabriek van België die de crisis en de opkomst van de modernere sigaretten had doorstaan. De laatste baas, Armand De Bevere was de vader van Maurice De Bever, beter gekend als Morris en geestelijke vader van stripcowboy Lucky Luke. De meeste arbeiders van de pijpenfabriek woonden in de aanpalende steegjes, de Kleine en de Grote Mosselbank, intussen ook al verdwenen.

Aan de overkant van de Meensestraat dreef Constant Willemyns vanaf 1826 zijn pottenbakkerij, waar typisch Kortrijks aardewerk werd vervaardigd in donkergroene, -blauwe en bruine kleuren. Vooraleer die creatieve productie eigen aan onze stad helemaal in de vergetelheid geraakt, zou er toch ooit eens een historische overzichtstentoonstelling moeten komen. Wie voelt zich geroepen?

Die pottenbakkerij lag aan het steegje dat in 1876 de Pottenbakkershoek werd genoemd. Na sluiting van de pottenbakkerij kreeg de Belgische Evangelische Zending in 1931 een bouwvergunning om de fabrieksgebouwen om te vormen tot een Evangelische kerk. De protestantse gemeente nam de naam aan van "de Pottenbakker". De Zending groeide uit een Amerikaans initiatief tijdens de Eerste Wereldoorlog. Protestantse zendelingen brachten troost in de loopgraven van het IJzerfront en zetten hun missie nadien verder. Aan de Meensestraat heeft de Evangelische gemeente eveneens het oude herenhuis van pottenbakkersbaas Willemyns in gebruik.

Mosselbank

Naast de Evangelische kerk heeft de Kortrijkse sociale huisvestingsmaatschappij Goedkope Woning grond kunnen kopen van Gaselwest, de intercommunale voor het beheer van het elektriciteits- en gasnet. Binnen afzienbare tijd komen er 17 sociale appartementen. Aan de overkant van de Meensestraat heeft Goedkope Woning in de jaren negentig een omvangrijk appartementencomplex gebouwd. Het kreeg de naam de Mosselbank, herinnerend aan de beluiken Kleine en de Grote Mosselbank die daar vroeger stonden.

De Grote Mosselbank was eigenlijk een straatje van de Meensestraat naar de Bissegempoortmolen, die tot 1825 stond te molenwieken op de stadswal, nu Astridpark. De Kleine Mosselbank was het steegje met de meest mensonwaardige woonomstandigheden van de stad: zeven huisjes met 1 gemeenschappelijke wc. Onder de bedden werden kippen gekweekt en op een plankje tegen de wand van de enige kamer werd een konijn vetgemest dat stil bleef zitten uit hoogtevrees. Tot in 1959!

Gasfabriek

Aan de overkant van de Pottenbakkershoek liggen de terreinen van Eandis, een werkmaatschappij van Gaselwest. Nog één huisje van het vroegere steegje is in stand gebleven; na een lange periode van leegstand en verval is het weer opgeknapt en bewoond. Op de grond van Eandis/Gaselwest ging in 1837 de Kortrijkse gasfabriek van start. Men maakte er stadsgas voor de straatverlichting en mettertijd ook voor de verlichting en verwarming van bepaalde burgershuizen. Investeerder was Henri Desclée de Maredsous. Stadsgas was een uiterst giftige mengeling en doordat de gasleidingen onvermijdelijk niet geheel lekvrij waren, was het Kortrijkse grondwater in enkele jaren vergiftigd en niet meer drinkbaar. Noodzakelijkerwijs is het stadsbestuur daarna overgegaan tot het leggen van een waterleiding.

Oudere Overleienaars herinneren zich nog de twee grote gascilinders (elk 6.000m³), die op en neer gingen naargelang er gasvoorraden werden ingeblazen. Zij werden pas afgebroken in de jaren tachtig, hoewel er in 1959 al een bolvormige gascontainer werd in gebruik genomen. Na de Tweede Wereldoorlog werd geen gas meer geproduceerd aan de Menenpoort. Eerst liet men stadsgas van de fabriek in Zeebrugge overkomen en sinds 1969 is het aardgas.

Zolang Eandis/Gaselwest de site blijft gebruiken, is er niets aan de hand. Maar op het moment men zal uitkijken naar een nieuwe bestemming, zal men wellicht geconfronteerd worden met zware industriële vervuiling. Bij de productie van stadsgas was een van de afvalstoffen ... cyaankali.

Potten pakken

Maar bij een bezoek aan de Menenpoort gaat je aandacht onweerstaanbaar naar een opvallend café op de hoek van de Meensestraat en de Graaf de Smet de Nayerlaan. De taverne is een voorbeeld van gedurfde hedendaagse architectuur en is geopend in 1997. De zaak draagt de naam 'De Menenpoort', maar staat in de volksmond bekend als 'Potsjemiezens'.

Die oude naam gaat terug op een legendarische uitbater van het vroegere café. Van 1903 tot begin de jaren dertig was Leopold Semeesel er cafébaas. Zijn specialiteit was bier geschonken uit een stenen kan (een 'pot' dus) waarin hij voor de helft bruin en voor de helft blond bier had getapt. Hij betrok zijn bieren van de Kortrijkse brouwerij Lust. Tot 1992 dreven zijn nakomelingen de zaak, waar inmiddels de Bellegemse brouwer Bockor eigenaar was geworden.

Het herbouwde café is een van de pilootprojecten van Bockor. De pleisterplaats is voorzien van een ruim beschut terras met uitzicht op het drukke verkeer op de Menenpoort. Op zomerdagen waan je je er ergens in het zuiden van Frankrijk: zeer gezellig.

Gouden Splete

En hoe zit dat dan met die aangekondigde Gouden Splete? Welnu, in de Meensestraat waren er vroeger tientallen beluiken, steegjes, 'hoeken', 'poortjes' en 'spleten' te vinden: citeetjes vol minuscule arbeiderswoningen. Een van die steegjes was de Gouden Splete, wat nooit een officiële straatnaam is geworden.

Het wegdek ervan, blauwe kasseien, ligt er nog. Het is de ingang vanuit de Meensestraat van de nieuwe Mosselbank, het appartementencomplex van Goedkope Woning. Het steegje loopt tegen de achterkant van de zes eerste woningen van het korte deel van de Graaf de Smet de Nayerlaan, die daar een hoek vormt. Het contrast tussen de werkmanshuisjes en de residentiële woningen in de Graaf de Smet de Nayerlaan moet indertijd zeer groot geweest zijn.

Voor meer foto's zie: http://kortrijkonvermoedehoekjes.skynetblogs.be

10-09-06

ZONDAG 10 SEPTEMBER 2006: park of overstromingsgebied?

Heule is een groene deelgemeente van Kortrijk. Aan de noordkant is er de uitgestrekte open ruimte tussen de Kortrijkse agglomeratie en Roeselare-Izegem. Maar ook de kern van de Tinnekesgemeente heeft een fameuze groene long: het Kasteelpark in de winterbedding van de Heulebeek. Het park rond de niet helemaal te temmen waterloop wordt binnenkort onder handen genomen. Die dringende werken zijn een voorbereiding op een grondige renovatie later. Dit onvermoede hoekje is nu al een bezoek waard.

Parijse architect

Het Kasteelpark in Heule is de grote tuin van het 'kasteel' van Heule. Daar, op de plek waar ooit de oude pastorie stond, werd in 1874 een eerste landhuis gebouwd door notaris Lagae. De zeer rijke familie Goethals, die ook in Kortrijk stad een grote rol speelde, kocht de eigendom in 1882. De familie Goethals bezat ook het Heulebos (18 hectare).

Tot 1895 verbouwden zij het landgoed ingrijpend in eclectische stijl en lieten de tuin (3 ha) inrichten als park volgens de plannen van een Parijse architect. Achteraan het kasteel kreeg de tuin het uitzicht van een Engels landschapspark. Naast het kasteel werd een kleine tuin in Franse stijl aangelegd, maar de gemeente Heule maakte daar in 1965 een parking van.

In dat park stond een orangerie (tropische serre met warm water), gesloopt door de eigenaars in 1963. Het prieeltje en de paden zijn behouden, alsook de bruggetjes.

Gelegen op de lage linkeroever (stroomafwaarts bezien) van de waterloop, stond het park van in den beginne geregeld onder water. Eigenlijk is het een stuk winterbedding van de Heulebeek. Om het riviertje met zijn zotte kuren enigszins te bedwingen, werd centraal in het park een omvangrijke vijver uitgegraven. Er was zelfs een soort overloopsluis om bij hoge debieten de beek een beetje te ontlasten in de parkvijver. De meeste overstromingen doen zich voor onder invloed van de aanhoudende winterregens. Maar ook felle zomerstormen, zoals op 4 juli 2005, doen de Heulebeek soms uit haar oevers treden.

Kasteel en domein werden op 21 mei 1964 door de gemeente aangekocht. Het landhuis werd in gebruik genomen als gemeentehuis, de tuin als openbaar park. Na de fusie met stad Kortrijk kwam het kasteel ter beschikking van de culturele verenigingen van Heule. In 1967 verloor het park een strook aan de achterkant voor de aanleg van de Goethalslaan. Op 3 oktober 1971 werd precies 100 jaar na de geboorte van Stijn Streuvels - in Heule geboren en er werkzaam geweest als bakkersknecht - in het Kasteelpark het 'Nationaal Streuvelsteken" ingewijd: een op een sokkel geplaatste ronde structuur die aan een molensteen doet denken (beeldhouwer Jan Vandekerckhove).

Verjonging

Bij zijn aanleg moet het park een zonnige en luchtige locatie geweest zijn. Ik kan mij de glooiende gazons onder de jonge boompjes rond de glanzende vijver levendig voorstellen. De elegante bruggetjes onderstreepten de lichte sfeer van de 'lusttuin'.

Na 120 jaar is het park oud geworden. Sommige waardevolle bomen hebben een statig uitzicht gekregen. De 'dendrologische waarde' van de indrukwekkende moerascypres bij de vijver is onschatbaar. Maar in het algemeen geven de vele hoogopgeschoten bomen en het dichte struikgewas de tuin een al te somber aspect.

Bovendien hebben de steeds weerkerende overstromingen bepaalde beplantingen ernstig aangetast. Enorme beuken met hele kolonies zwammen tussen de worteltenen zijn boeiend om te bekijken, maar ik vrees dat die aantasting niet bevorderlijk is voor de stabiliteit van de parkreuzen.

Stad Kortrijk koestert al geruime tijd plannen om het park grondig te renoveren. Die verjonging is evenwel altijd weer uitgesteld omdat het Vlaamse Gewest had laten verstaan het overstromingsprobleem van de Heulebeek aan te pakken. Dat eeuwige uitstel leidt tot grote ergernis van veel Heulenaars.

Waterberging

De meningen over die overstromingen zijn trouwens grondig verdeeld. Volgens het decreet integraal waterbeheer (2003) wil het Vlaamse Gewest zoveel mogelijk ruimte laten aan het water door overstromingsgebieden in die functie te behouden. Plannen om de Heulebeek verder recht te trekken, werden daarom opgeborgen. De vraag is of een honderdjarig park nog kan beschouwd worden als een overstromingsgebied. Het park is trouwens beschermd als dorpsgezicht.

De Open Werkgroep Heulebeek opteert voor behoud van de functie waterberging in het park. De omvangrijke vijver kan deels die rol spelen, maar of dat voldoende is... ? Groen- en parkschepen Philippe De Coene, sp.a, wil niet dat het park wordt gedegradeerd tot bufferbekken. Hij blijft aandringen op gepaste maatregelen van het Vlaamse Gewest om die overstromingen te voorkomen. Volgens de schepen is de enige duurzame oplossing om overstromingen te voorkomen, de aanleg van een bufferbekken stroomopwaarts in Moorsele.

Het wachten moe en op aandringen van een groot deel van de Heulse bevolking start binnenkort een eerste fase van renovatie- en verbeterwerken. 31 problematische bomen (o.m. verschillende kaprijpe populieren op vraag van Monumenten en Landschappen) worden geveld en vervangen door 11 streekeigen bomen. De boomwortels worden uitgefreesd. Uit de vijver worden slib en vuilnis uitgebaggerd en verwerkt in de vijveroevers. De oever aan de kant van de Peperstraat worden versterkt met matten die begroeiing mogelijk maken. Om de plantenrijkdom te bevorderen wordt de bodem verbeterd met ingewerkte teelaarde, vulzand, groencompost, kalk en organische meststof. De vijvermuren worden verstevigd. De paden krijgen een nieuwe dolomietverharding. Er komen opnieuw zitbanken. De brug over de Heulebeek wordt vervangen; de brug over de vijver wordt hersteld en krijgt kastanjehouten relingen. Het speelplein dat nu in het meest zompige stuk van het park staat, wordt op een hogere en drogere plaats opgesteld. Het waterrijke natuurgebiedje in de dreef naar de Gullegemsestraat blijft behouden.

Het gaat om opdrachten met een totale kost van 129.876,87 euro.  

Voor meer foto's, zie: http://kortrijkonvermoedehoekjes.skynetblogs.be

30-07-06

ZONDAG 30 JULI 2006: het Picardische stukje van Kortrijk

Wist je dat een gehucht in de Kortrijkse deelgemeente Rollegem tot zowat honderd jaar geleden behoorde tot het uitgestrekte Picardische taalgebied? Het Frans dat er werd  gesproken - verleden tijd -, hoor je ook in Doornik en Moeskroen. Het gehucht draagt de intrigerende naam "het Foreest", gestandardiseerd in de straatnaam Forest. Dat wordt het onvermoede hoekje van vandaag. Ook het uitzicht is, met een beetje goede wil, Picardisch te noemen: uitgestrekte graanakkers en zelfs ... de rozen uit het liedje. Maar over de taalgrens ligt een industrieterrein en een hoogspanningsstation van Moeskroen.

Een grensgeval

Van het Rollegemse gehucht "Het Foreest" wordt de kern gevormd door de elleboogvormige Foreststraat, de Vlaamse kant van de Piro Lannoostraat, de aangrenzende woningen van de Moeskroensestraat, de verschillende stapsteenwegjes, en een stuk Tombroekmolenstraat. De 'woonkorrel', zoals men heden ten dage een dergelijke afgelegen nederzetting noemt, wordt aangevuld met de woningen van het uiterste stuk van de Lampestraat en behorende tot Aalbeke.

Het minidorpje is een echt grensgeval. Het ligt niet alleen op de grens met die andere Kortrijkse deelgemeente Aalbeke; het ligt ook op de gemeentegrens van groot-Kortrijk en zelfs op de taal-, gewest- en dus ook provinciegrens.

Aan Kortrijkse kant is het de eerste woonkern na kilometers landbouwgebied vanuit Rollegem of Aalbeke. Aan Moeskroense kant is het contrast schokkend: aan de overkant van de Tombroekmolenstraat, die op de taalgrens ligt, heeft de gewezen Waals-West-Vlaamse en nu Henegouwse stad een industriegebied voor milieubelastende bedrijven uitgebouwd. Met de wind die overwegend uit het zuid-westen komt, zijn de stank en de milieuproblemen voor de Vlaamse buren, ... vooreerst dus voor het Foreest!

La forêt

De naam van dit uiterste hoekje Kortrijk is: het Foreest. "Forest" is een Kortrijks stadhuiswoord, een verkeerde vertaling om het 'juister' te laten klinken. In Rollegem zeggen de mensen iets dat klinkt al: het Vereest, door een niet-ingelichte gemakkelijk te verstaan als 'het vooreerste' of het eerste wat men tegenkomt als men van Moeskroen komt.

Een bewoner van het Foreest noemt zijn domein: "' 't freest" (de onzijdige derde persoon van het werkwoord van het dialect van aardbei?). Foreest heeft wel degelijk iets met "forêt", het Frans voor bos of woud, te maken. Op het heuveltje tussen Rollegem en Moeskroen stond ooit wellicht, zoals op veel heuvels in het Leie-Scheldegebied een bos of een wildernis. De naam is voor het eerst genoteerd in 1559.

De Frans klinkende naam is minder een aanduiding van de oorspronkelijke ligging van de taalgrens dan je zou kunnen denken. In de 'goede oude tijd' was foreest een courant West-Vlaams woord voor bos. Op verschillende plaatsen (Houthulst, Lichtervelde, Zonnebeke, Wielsbeke, en heel wat plaatsen rond Brugge) tot in het Zeeuws-Vlaamse en dus Nederlandse Middelburg vind je dat woord: 'den Foreestbusch' ook wel eens 'Fereestbusch' (Fereest, precies zoals de Rollegemnaren het uitspreken) is daar een aloud toponiem.

Picardië

Maar wat heeft een van de verste Kortrijkse nederzettingen met Picardië te maken? Wel, tot de eerste wereldoorlog was de voertaal op het Foreest het Franse dialect dat ook in Moeskroen werd en wordt gesproken; dat is de Picardische variant van het Frans. Nadien hoorde en hoor je er vooral de Rollegemse variant van het West-Vlaams - eigenlijk bijna Oost-Vlaams.

In de afgeschafte talentellingen (over de manipulaties die daarmee gepaard gingen kan ongetwijfeld Luc Debels, Spiritist en een van de meest gedocumenteerde allesweters van Kortrijk, ons veel meer vertellen) werd ook Aalbeke vaak als Franstalig bestempeld, maar dat was ten onrechte. Maar op het Foreest sprak men wel degelijk een soort Frans.

Calvinistenhoek

Dat Frans kan een religieuze oorsprong hebben gehad. Toen de Franse zonnekoning Louis Quatorze in 1685 het Edict van Nantes introk, waarmee zijn voorganger Henri IV een soort godsdienstvrijheid had ingevoerd, vluchtten de Calvinisten (Hugenoten in Frankrijk) in allerijl de grenzen van het hardvochtige koninkrijk over.

Een gemeenschap Hugenoten kwam zich vestigen in Rollegem, toen een grensplaats tussen de Oostenrijkse Nederlanden en het Franse Koninkrijk. Nog altijd draagt een hoeve in de Tombroekmolenstraat tussen het gehucht Tombroek en het Foreest de naam 'Calvinistenhoek'.

Die protestanten, door de katholieke Rollegemnaren Geuzen genaamd, ga je daar niet meer vinden. Het oorspronkelijk protestantisme verdween op Tombroek en het Foreest in twee bewegingen. Op verzoek van de pastoors van Moeskroen en Luigne, belust op een uitbreiding van het aantal zielen van hun parochie, vaardigde de Oostenrijkse keizerin-moeder Maria-Theresia een bevel uit waarin de Geuzen van Rollegem de keuze kregen elke zondag naar de hoogmis in de Sint-Antoniuskerk in Rollegem te gaan, of met hebben en houden te verhuizen naar de Oost-Vlaamse protestantse enclave Sinte-Maria-Hoorebeke (de bosgeuzen).

Een groot deel van de protestantse bevolking trok toen al weg. In 1880 hergroepeerden de overblijvende Calvinistische families zich in het nabijgelegen dorp Luigne (Lowingen).

Wat een landschap!

Het Foreest is een bezoek waard. Laat je niet afschrikken door het vervaarlijk ronkende hoogspanningsstation van Elia op Moeskroens grondgebied (Piro Lannoostraat-Rue du Piro Lannoy, Boulevard du Textile) of door de silo's van het aangrenzende Waalse industriegebied. Aan Vlaamse kant heb je schitterende vergezichten die soms doen denken aan het wijdse landbouwgebied van Picardië. Het dorpje zelf heeft verschillende steegjes en voetpaden die je kronkelend tussen hagen en tuinen naar het uitnodigende landschap brengen.

Hoewel het hele gehucht geen vijftien woningen telt, zijn er toch twee pleisterplaatsen. Ook dat is in de lijn van de eeuwenoude geschiedenis van het plaatsje. Het lag op de oude weg tussen Rollegem en Moeskroen, een van de vele wegen naar de hoofdplaats van het bisdom Doornik waartoe ook het Kortrijkse behoorde. Een van de nabijgelegen hoeven was bekend als herberg: la Ferme de Brou in de Schreiboomstraat. Thans vind je er taverne De Pompe in de Lampestraat en Restaurant Piro Lannoo (Franse keuken en franstalige bediening) in de Piro Lannoostraat.

Voor meer foto's zie: http://kortrijkonvermoedehoekjes.skynetblogs.be

23-07-06

ZONDAG 23 JULI 2006: fotogenieke ruïnes bij de westelijke binnenring

Het onvermoede hoekje van vandaag betreft de laatste uitbreiding van het stadscentrum van Kortrijk. Tot nu lag een gebied zo groot als de helft van historisch Overleie verborgen tussen de zieltogende Kortrijkse haven en de Magdalenastraat. Het grootste stuk was in eigendom van de Belgische spoorwegen, maar ook het OCMW heeft er veel grond, een eeuwenoude erfenis.

De aanleg van de westelijke binnenring keert het gebied binnenste buiten. Voordat binnen afzienbare tijd het gebied wordt ingenomen voor nieuwe stadsfuncties, heb je er nu een uitgelezen kans om op ontdekkingstocht te gaan in eigen stad. Ik bleef plakken bij de ruïnes van het gewezen brandstofbedrijf Frans Dupont. Voor de liefhebbers van tot verdwijnen gedoemde onvermoede hoekjes: ga kijken en trek foto's. Er is niet alleen Duponts, maar ook de entrepots van de Spoorwegen, de loods van de Civiele Bescherming (die de Civiele Bescherming niet meer is), en een boel indiscrete inkijken op achterkanten van straten.

Westelijke Binnenring

Een paar weken geleden is de Westelijke Binnenring ingewandeld door het stadsbestuur vergezeld door een honderdtal buurtbewoners. De nieuwe weg, die loopt van het beroemde kruispunt Appel (zie http://kortrijklinksbekeken.skynetblogs.be/?number=1&...) achter het nieuwe gerechtsgebouw, over de Leie naar de Meensesteenweg. Dit nieuwe stuk binnenring (R36) moet het verkeer weghalen van de al te drukke verkeersader Beheerstraat-Noordstraat, twee woonstraten. De Westelijke Binnenring is gebouwd door het Vlaamse Gewest en is de belangrijkste compensatie die Kortrijk heeft verkregen voor de lasten van de gigantische Leieverbredingswerken in de stadskern.

Eigenaardig genoeg is die compensatie ook een van de oorzaken geweest van de vertraging die de Leiewerken hebben opgelopen. Onder het bewind van burgemeester Emmanuel de Bethune vroeg het stadsbestuur zich af of die westelijke ring niet beter nog wat verder westwaarts zou worden aangelegd. Men dacht toen aan de Karel de Goedelaan aan de overkant van de spoorweg naar Brugge. Precies daar wou de historische burgemeester Auguste Reynaert rond de vorige eeuwwisseling zijn "Westlaan" (Boulevard de l'Ouest) realiseren, maar dat is er nooit van gekomen. Het gebakkelei over dat alternatief deed maanden verloren gaan. In elk geval gaat dat nieuwe stuk van de R36 (de Kortrijkse stadsring, die in tegenstelling met de grote ring R8 geen autostrade is) op 8 augustus open voor het verkeer.

Daarmee wordt een omvangrijk gebied toegankelijk dat jarenlang verborgen lag. Het gaat vooral om gronden van de NMBS, die daar samen met de Douane en private transport- en expeditiefirma's heel wat activiteiten van goederentransport en in- en uitklaring ontplooide. Met de Europese gemeenschappelijke markt en de realisatie van het transportcentrum LAR (Lauwe-Aalbeke-Rekkem) verloor het gebied zijn belangrijkste functies. Ook het OCMW heeft daar nog verscheidene eigendommen. En dat is niet zo verwonderlijk aangezien het hele gebied oorspronkelijk eigendom was van de voorlopers van het OCMW.

De weide van Kortrijk Weide en de meers van de Meersstraat

De heel oude functie van het gebied kan je nog aflezen in de naam van de Meersstraat. De nieuwe naam die officieus door de stadsdiensten aan het gebied wordt gegeven, "Kortrijk Weide", heeft er ook mee te maken. Van in de duistere middeleeuwen lag daar de 'gemene weide', de 'meers' waarop de armen van Kortrijk wat vee konden laten grazen op de vochtige terreinen net buiten de stadsomwalling.

Die collectieve weide - wellicht waren er ook wat men later volkstuintjes is gaan noemen - was heel uitgestrekt. Rondom rond liep de "Dreve van de Armen van Cortryck". Die dreef, een met bomen beplante landweg, begon aan de Zandstraat, volgde de stadsomwalling waar nu de Beheerstraat te vinden is en maakte een bocht ter hoogte van de huidige Blekersstraat. Die Blekersstraat was toen veel langer en liep tot aan de Marksesteenweg over een u-vormig parcours. Ook de straat die nu de Karel de Goedelaan wordt genoemd aan de overkant van de spoorweg maakte deel uit van die lange Blekersstraat. Via de Marksesteenweg en de Magdalenastraat kwam men terug aan de Zandstraat.

Precies in dat gebied waarrond de 'Dreve' liep, werd ook de Kortrijkse leprozerie, de Grote Madeleene, gevestigd, met eigen groententuin. Al wat armenzorg was werd tijdens de Franse revolutie ondergebracht in instellingen waaruit heel veel later de Commissie voor Openbare Onderstand en nog later het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW) groeide. Vandaar de eigendommen van het OCMW in het gebied.

In 1847 werd het gebied doormidden gereten door de aanleg van de spoorweg naar Brugge. Het stuk 'Dreve' (Blekersstraat) aan de overkant van de spoorweg werd de Karel de Goedelaan. Een dreef is het laatst overgebleven stuk Blekersstraat al lang niet meer. Maar misschien kan de verwachte ontwikkeling van Kortrijk Weide, met zeer veel groen, daar iets aan doen.

Blekers en botekopers

Overigens verwijst de naam Blekersstraat naar een economische activiteit die eeuwenlang heel belangrijk was in Kortrijk: het bleken van textiel. Op het einde van de Westelijke Binnenring, aan de overkant van de Leie, is trouwens nog altijd de Blanchisserie de Courtrai in werking (nu Masureel NV).

Blekersstraat en Meersstraat liggen loodrecht op de Beheerstraat. Ze zijn met elkaar verbonden door de Botenkopersstraat. De 'kopers' in die straatnaam waren niet uit op binnenschepen of jachtjes, maar op partijen vlas die klaar waren om doorverkocht te worden aan de vlasspinnerijen. Maar volgens mij moet het 'bote' zijn zonder 'n'; het is een verzamelnaam zoals 'groente'.

Voor de Botenkopersstraat is een tracé vastgelegd van de Meersstraat tot aan Kortrijk Haven aan de Leie. Maar de aanleg is beperkt gebleven tot aan de Blekersstraat.

Ontwikkelingsgebied

Voor het gebied van ruim 7 hectare dat nu ontsloten wordt door de nieuwe weg heeft de stad al geruime tijd een masterplan laten ontwerpen door sterarchitect Stéphane Beel (die ook zijn naam zette onder andere ontwerpen in Kortrijk zoals de Tacktoren en het nieuwe gerechtsgebouw). In dat plan suggereert hij om de monumentale Douane-entrepots te behouden. Ik hoop van ganser harte dat die wens uitkomt.

In dat gebied komt tegen 2010 een politiehoofdkwartier dat zal gedeeld worden door de lokale politiezone Vlas en de federale politie. Op de hogere gedeelten van het gebied komt er ruimte voor stedelijke functies zoals kantoren. In het lager gelegen gebied naar de Leie toe (de vroegere winterbedding van de rivier) komen een drietal woontorens, waarvan de allersjiekste met twee van zijn vier poten in het Leiewater zal baden.

Het gebied wordt ontwikkeld als parkgebied, met een weelde aan groen. Zelfs de ruime parkings zullen in de schaduw van bomen liggen.

Ruïnes Dupont

Voor liefhebbers van industriële archeologie bieden de blootgelegde terreinen nog eventjes verschillende buitenkansjes. Afhankelijk van de snelheid waarmee men het gebied bouwrijp zal maken, zullen de vele restanten van vroegere bedrijvigheid er verdwijnen.

Zelf ben ik in de ban gekomen van de ruïnes van de gewezen brandstofgroothandel van Frans Dupont, vroeger gelegen aan het uiteinde van de Blekersstraat, nu daarvan gescheiden door de Westelijke Binnenring. Gevestigd op gronden van het OCMW had de firma ook lange tijd een feitelijk monopolie van leveringen van steenkool en olie aan het OCMW.

De gebouwen, pompen en opslaginstallaties van Frans Dupont waren opgetrokken rond een soort erf aan de voet van de helling van de vroegere winterbedding van de Leie. Ze zijn al enkele jaren verlaten. Maar dat betekent niet dat ze helemaal leeg staan. In sommige gebouwen vind je nog de rekken en ander meubilair van de firma. Aan de achterkant van het administratiegebouw met appartement liggen pakken administratieve documenten door het venster gegooid ten prooi aan weer en wind.

De bovenste constructies zijn, wellicht bij de aanleg van de Westelijke Binnenring, gedeeltelijk gesloopt. Maar het lijkt alsof de bulldozers er plots de brui aan gaven. Of was het gewapende beton te sterk? In elk geval is het een schitterend decor voor bevreemdende foto's.

Ik vrees dat de Dupont-terreinen, met al die tonnen petroleum en kolen die er gestockeerd, behandeld en verhandeld zijn, grondig vervuild gaan zijn. Niettemin heeft de natuur in die enkele jaren het gebied opnieuw gekoloniseerd. Je vindt er heel wat planten die je elders in Kortrijk niet vaak tegenkomt. Zowaar liep ik er door een plek vol bosaardbeitjes.

Meer foto's op http://kortrijkonvermoedehoekjes.skynetblogs.be

 

09-07-06

KORTRIJK 9 JULI 2006: Kortrijks tweede begijnhof

Nee, Kortrijk heeft geen twee begijnhoven. Maar er is wel een tweede omsloten 'hof' met huisjes, opgericht uit religieuze overwegingen voor alleenstaande vrouwen, weduwen of arbeidsongeschikte kuise jonge dames. Ik heb het over het Baggaertshof op de hoek van de Sint-Jansstraat en de Stompaertshoek. Het is de moeite waard om het gangetje achter de verweerde deur in te stappen en de sfeer op te snuiven van de 17e eeuw. Dank zij de kruidentuin is het een aangenaam geurende sfeer.

Hèt Begijnhof, erkend als werelderfgoed door de UNESCO, is een miniatuurstadje in de stad, met straatjes die ontelbare keren zijn gefotografeerd en geschilderd. Het OCMW is al jaren bezig om huisje per huisje op te knappen. Het is helemaal geen onbekend hoekje van Kortrijk. Het Baggaertshof is dat wel.

De gezusters Baggaert

Het Baggaertshof is het bewaard gebleven resultaat van een liefdadige stichting uit 1638 door de gezusters Joosijne, Katriene en Willemijne Baggaert, dochters van een voorname poorter, Willem Baggaert, schepen van de stad. De gezusters bouwden met een deel van hun erfenis 13 huisjes rond een binnentuin. In 1643 schonken zij het "hof" aan het stadsbestuur, met de opdracht de huisjes en de tuin gratis te laten bewonen door deugdzame vrouwen, weduwen of alleenstaande jonge vrouwen zonder werk. De gezusters bezorgden de stad bovendien nog een aanzienlijke jaarlijke rente (6 "pond groten") voor het onderhoud van de huisjes en voor het vermaak van de bewoonsters.

De arme vrouwen die er werden opgevangen, moesten zich houden aan een reeks betuttelende regels. Zo moesten ze "vrough" (vroeg) thuis zijn 's avonds: "In den Somer voor het opgaen van de groote klocke ende in den Winter met den acht uren" (art. 4 van het reglement). Elke avond moesten de bewoonsters bijeenkomen in de kapel om hun weldoeners te bedanken en te bidden voor hun 'zieleheil'. De stichting was als het ware een investering van de zusters om na hun overlijden een mooie plaats te krijgen in de hemel waarin zij geloofden.

Weldadigheid

De hoofdregel van het "hof" was artikel 6. Daarin werd van de bewoonsters gevraagd dat zij "cuyisch" (kuis), "reyn" en "stille" zouden zijn. Moesten vermeden worden: "tweedracht, achterclap ende kinagien". Zij waren integendeel verplicht elkaar "vriendelijck ende behulpsaem" te behandelen wanneer "den noot ende kristelijcke liefde sulcks vereijsen sal". Achterliggende gedachte: zolang ze elkaar uit de ergste nood hielpen, moest de stad niet bijspringen. "Hof" betekende in het Baggaertshof ook tuin. De kruiden en de vruchten van de gemeenschappelijke tuin mochten de vrouwen planten en oogsten met toestemming van het stadsbestuur. Ook die voorziening was erop gericht zoveel mogelijk zelfbedruipend te zijn.

Over kronkelige wegen van de geschiedenis kwam het Baggaertshof, zoals ook het Begijnhof, uiteindelijk in handen van het OCMW van Kortrijk. Eerst werd het eigendom van de Jezuïeten. Ook de paters lieten er behoeftige vrouwen gratis wonen in ruil voor deugdzaamheid. In 1777 werd het hof overgenomen door de 'Armenkamer', een instelling door het stadsbestuur opgericht om de armenzorg wat georganiseerder aan te pakken. Onder Frans bewind werd het een onderdeel van het 'Bureau van Weldadigheid'. Later werden die Bureaus omgevormd tot COO (Openbare Onderstand) en nog later tot OCMW.

Moerbeiboom

Op het einde van het gangetje achter het houten poortje kom je als het ware in de 17e eeuw terecht. In L-vorm staan de huisjes naast elkaar geschaard. Ze zijn niet hoger dan 2,5 meter. Elk huisje heeft een deur met een bovendeel en een onderdeel (zoals ze indertijd ook heel populair waren nij de vlassers in Bissegem). Een van de huisjes is heringericht zoals het er oorspronkelijk uit zag. Het heeft slechts een enkele kamer (12 à 15 m²) waarin bijna alles moest gebeuren: eten, koken, wassen, slapen en werken.  Valluiken geven toegang tot het zoldertje onder het pannendak en tot het keldertje. Elk huisje was uitgerust met een open haard en een alkoof met sponde.

Op de koer staat nog de gemeenschappelijke waterpomp. Van het unieke toilet kun je nog de deur zien (naast de kapel), maar het kamertje is thans ingenomen door de enige nog bewoonde woning, de enige ook met een rechtstreekse voordeur in de Sint-Jansstraat en met een als slaapkamer ingerichte mansardezolder.

Behalve de schilderachtige huisjes is ook de tuin de moeite van het bezoeken waard. Een club van apothekers en dokters heeft er een kruidentuin aangelegd met meer dan tweehonderd medicinale planten. De aandacht trekken enkele grote bomen waaronder een flink uit de kluiten gewassen Moerbeiboom (in onze streek een zelfzaamheid, met vruchtjes die gelijken op braambessen maar nog veel kwetsbaarder zijn en in juli een donkerrode plas stroop veroorzaken onder de boom).

Ten-Olme

Een laatste bezienswaardigheid in het Baggaertshof is de kapel, een gebouwtje rechtover de langste huisjesrij. In die kapel staat het beeld van O.L.Vrouw-ten-Olme centraal. Het is een beeld van 1628, gemaakt door houtsnijder Jan Bolle Veys en gepolychromeerd door Joos Van Moerkercke. Het kindje Jezus trekt ondeugend aan Maria haar hoofddoek. Het beeld stond eerst in de kapel van O.L.V.-ten-Olme die buiten de stadsmuur tussen de Gentsepoort en de Sint-Janspoort stond. De kapel werd in 1785 gesloopt in opdracht van de Oostenrijkse verlichte keizer Jozef II, en toen werd het beeld overgebracht naar de kapel van het nabijgelegen Baggaertshof.

Aan het beeld worden door mensen die erin geloven geneeskundige krachten toegeschreven. Daarvan getuigen de vele ex-voto's die als bedanking voor vermeende genezingen werden opgehangen. In de kapel vind je ook een komisch doek waarop drie bepruikte mannen een beetje verdwaasd door het landschap stappen. Het is een uitbeelding van de legende van O.L.V.-ten-Olme. Drie jonge kerels waren eens op stap tussen het groen van Kortrijk-Buiten. Een van die jonge mannen had ergens een roos geplukt. Aan een olm hing een mariabeeldje waaronder iemand een roos had gelegd die veel mooier was dan die van de passant. Hij kon aan de verleiding niet weerstaan om ze te ruilen met de zijne. Op slag werd hij verlamd. Pas toen hij op aanraden van zijn metgezellen de belofte deed een kapel te bouwen, kreeg hij zijn benen weer in beweging... Die vertelling zou ik graag eens door een psychoanalist laten verklaren. In elk geval is de kapel nog altijd een bedevaartsoord voor ingewijden.

Een aanrader

Het echte mirakel is dat dit historische ensemble in het bedrijvige en ononderbroken vernieuwende Kortrijk bewaard is gebleven. Misschien is dat te danken aan de beslotenheid van het "hof". Toch is het al in 1939 beschermd als monument. Na de tweede wereldoorlog werd het nog bewoond, altijd alleen door dames, maar verkommerde het snel tot een achterbuurt met een verwilderde binnenplaats. In 1980 nam de Kortrijkse Rotaryclub het initiatief tot restauratie. Later herstelde het OCMW de fouten die daarbij werden gemaakt - men had bijvoorbeeld alle goten onder de overkragende daken weggenomen.

Het Baggaertshof is nog altijd een besloten hof. Behalve op de bezoekersuren gaat het poortje onverbiddellijk op slot. Kortrijks tweede begijnhof - dat geen begijnhof is! - is toegankelijk van dinsdag tot donderdag en op zaterdag en zondag telkens van 14 tot 17 uur. De toegang is gratis (056 25 53 49). Een aanrader!

 

02-07-06

ZONDAG 2 JULI 2006: de Kortrijkse appelwijk en de peren

Een al lang vergeten lokaal van 'gaaibolders' gaf de naam aan een uithoekje van Kortrijk net over de grachten. Het hoekje werd 'wijk' genoemd, maar dat had meer iets te maken met 'uitwijken' dan met 'vicus' (wiekoes uitgesproken), gehucht dus, zoals bij andere wijken. De wijk werd een kruispunt bij het dempen van de stadsgrachten. En binnenkort verdwijnt zelfs het kruispunt om plaats te maken voor een 'kluifrotonde' naar Nederlands model. Hoewel er nergens een straat of een plein naar genoemd is, is de naam 'appel' vereeuwigd in een stedelijke parking - in de veronderstelling dat een parking voor eeuwig is.

"De Appel' is de naam van een plek op de binnenring van Kortrijk. Zoals veel andere plekken op die stadsring - denk aan Sint-Jansput, Panorama, Meensepoort - verwijst de naam niet naar een straat of een plein maar naar een oude volkse plaatsnaam. De Appel is eigenlijk het vreselijk drukke en ingewikkelde kruispunt van de Hendrik Consciencestraat, de dubbele Zandstraat (tunnel en woonstraat), de Magdalenastraat en de Beheerstraat; een uitrit van het Conservatoriumplein komt er bijna op uit; en binnenkort vertrekt vanaf 'De Appel' ook nog eens de Westelijke Binnenring. De nabijgelegen stadsparking werd ook naar die mysterieuze vrucht genoemd. Waarom eigenlijk?

Carriere

Wel, de plek is genoemd naar een platgebombardeerd café dat zelf was genoemd naar een nog ouder verdwenen café. Bij de zwaarste geallieerde bombardementen op Kortrijk, op 21 juli 1944, verging ook café Den Appel, op de hoek van de Consciencestraat en de Zandstraat in puin en as. Het was een eeuwenoude herberg, die in de jaren 1700 Den Gouden Appel en later 'In den appel' werd genoemd. Het was het lokaal van de 'gaaibolders'. Gaaibollen is een soort kegelspel dat als de voorloper van de bowling kan worden beschouwd. De gaaibollers hadden als leuze de doordenker: "De wereld is een bol"!

De Consciencestraat, eigenlijk het verlengde van de Rijselstraat, volgt het tracé van de aloude heirbaan naar Rijsel. De Rijselsepoort en dus ook de stadsomwalling lag ter hoogte van het Louis Robbeplein. Aan de buitenkant van de stadsgrachten liep een soort dienstweg, het Carrierestraatje genoemd. Alleen de aanzet is er nog van te zien: het steegje aan het begin van de Consciencestraat. Het straatje werd onderbroken door de verlegging van de stadsgracht op die plaats in 1839. Toen hadden die grachten al lang geen verdedigingsfunctie meer. Het was de bedoeling dat iedereen door de stadspoorten moest passeren zodat er daar tolrechten konden geïnd worden.

Op de hoek van de Carriere en de heirweg naar Rijsel was er tot in de jaren 1700 een herberg met de naam "Het Appelken". Welicht werd De Gouden Appel, wat verder in de straat, naar dat oudere voorbeeld genoemd. De bombardementen hebben de jongste herberg Den Appel vernield, maar in de Consciencestraat tref je merkwaardig genoeg nog een paar panden aan van uit de jaren 1700, woningen met een verdieping. Lange tijd was er in een van die panden, plat maar heel diep, een garage gevestigd (van het verdwenen merk Simca). Het staat nu al jaren te verloederen. Een erfeniskwestie?

Brouwerij?

De heirweg naar Rijsel was de spil waarrond zich een buitenwijk ontwikkelde: de Rijselse wijk. De Zandstraat kreeg in 1875 een verbinding naar Overleie door de aanleg van de Beheerstraat. Tussen de Beheerstraat en de oude stad waren intussen de grachten opgevuld en werd de stad uitgebreid met "het Nieuw Kwartier", met bourgeoisstraten proper geschikt tussen monumentale gebouwen zoals het Gerechtshof en het station. In die wijk vind je de grootste verzameling negentiende-eeuwse bouwstijlen van Kortrijk.

Het toen al zeer drukke kruispunt van de oude weg naar Rijsel en de sjieke Beheerstraat werd door de vele passanten genoemd naar het bekende café op de hoek. Men sprak van Den Appel, ook om de bredere omgeving aan te duiden.

Ik was benieuwd of een sterke cafénaam zoals deze niet afgeleid was van een gelijknamige brouwerij. Het brouwersambacht was eertijds geen multinationale maar een zeer ambachtelijke activiteit. In de omgeving vond ik evenwel geen brouwerij Den Appel. De enige brouwerij met die naam ontdekte ik in Melle, in de Appelhoek gesticht door brouwer Huyghe in 1906. Toch was er in de onmiddelllijke omgeving van de Kortrijkse Appel wel degelijk een brouwerij.

In de Beheerstraat werd in 1889 de brouwerij Vuylsteke gesticht, later overgenomen door schoonbroer Vanhoutte. De brouwers waren familie van de Roeselaarse Rodenbachs. Het brouwershuis, de brouwerij en een aanpalende woning bestaan nog. Ze zijn in deerlijke staat. Sinds 1978 zijn de panden eigendom van het Sint-Niklaasinstituut die ze wou slopen om de school uit te breiden. Monumenten en Landschappen stak daar een stokje voor. Nu zijn er plannen om de gebouwen te behouden maar aan te passen aan de schoolse activiteiten.

De Gouden Peer

De naam Den Appel leeft voort in verschillende panden in de buurt. Op de hoek van de Consciencestraat en de Beheerstraat is er de Residentie Den Appel, een complex van studio's. Wat verder in de Beheerstraat is er de kruidenierszaak De Goud Appel, een van de weinige zelfstandige kruidenierszaken in onze stad. De winkel is de laatste toevlucht voor wie een barbecue heeft gepland en op zondagnamiddag vaststelt dat hij geen houtskool in huis heeft. In de vitrine ligt waarempel een schaaltje met appelen en sinaasappelen.

Aan de overkant van het kruispunt was er vroeger op de hoek van de Beheerstraat en de Magdalenastraat een café met de naam 'De Gouden Peer'. In de Magdalenastraat lagen ook de terreinen van de douane en de vrachtactiviteiten van de Spoorwegen. In die buurt trof je dan ook verschillende expediteurs en transportmakelaars aan. Een van die firma's was NV Edmond Depaire, later overgenomen door de NMBS zelf en geïntegreerd in ABX Transport. De telefonist van de transportfirma kreeg correspondenten steevast aan het lachen als hij de telefoon opnam met de melding: "Allo, u spreek met Depaire van aan 't Appelke".

Klokhuisrotonde

Binnen afzienbare tijd kun je over die terreinen de Westelijke Binnenring oprijden, die bijna is afgewerkt. Die weg ontsluit ettelijke hectaren grond die aansluit bij het centrum van Kortrijk en waarop dus een uitzonderlijk grote inbreidingsoperatie mogelijk wordt. Diezelfde binnenring zal de stofferige en onder het drukke verkeer kreunende Beheerstraat radicaal veranderen. Met veel minder auto's zal het opnieuw de mooie woonstraat worden die het vroeger was. In de straat vind je pareltjes van burgerlijke bouwkunde. Zelf ben ik verslingerd op de sprookjesachtige woning op de hoek van de Beheerstraat en de Burgemeester Nolfstraat.

Om de aansluiting van het ingewikkelde kruispunt Den Appel op de Westelijke Binnenring te realiseren, heeft men alle mogelijke oplossingen bekeken. Uiteindelijk bleek een 'kluifrotonde' het beste. Een kluifrotonde is een rondpunt waarin twee ronde koppen (een op het kruispunt Den Appel) en een op de gewezen NMBS-gronden) met elkaar verbonden worden door een lus met eenrichtingsverkeer. Het concept wordt al lang in Nederland toegepast. Daar noemen ze het soms ook een 'bot-" of een "knekelrotonde". In de buurt van Den Appel zou, volgens mij, "klokhuisrotonde" nog beter passen.

Meer foto's op http://kortrijkonvermoedehoekjes.skynetblogs.be