24-01-11

Germain Coelembier is nooit vergeten van waar hij kwam

germain 111.JPG

Op de nieuwjaarsreceptie van socialistisch Kortrijk, 22 januari 2011, werd bekend dat kameraad Germain Coelembier 's morgens was overleden. Hij vocht al geruime tijd tegen een wrede ziekte. Geboren in de nasleep van de nazi-bezetting, waaronder zijn ouders erg hebben geleden, moest hij op jonge leeftijd aan de slag als arbeider. Zijn harde jeugd tekende zijn permanente inzet voor alle takken van de socialistische beweging, waarin hij zowel profesionele als bestuursfuncties waarnam. Van 1983 tot 2007 was hij ook gemeenteraadslid. Maar zijn engagement overschreed zijn politieke gezindheid in tal van verenigingen (senioren, gedecoreerden enzovoort).

Oorlogsverhalen

Toen Germain op 12 juli 1946 ter wereld kwam, had zijn moeder, Jeanne Snauwaert, al vijf kinderen gehad. Jeanne en Norbert Coelembier kregen nog vijf kinderen nadien. Germain was de oudste van de kinderen die bleven leven. Zijn ouders hadden vreselijke jaren achter de rug. Het zou Germain tekenen.

Na de Belgische capitulatie werd Norbert door de Duitse nazibezetters opgepakt. Hij werd naar Rostock gevoerd om er in de Duitse oorlogsindustrie de plaats in te nemen van het mansvolk dat naar het front was gestuurd. Na twee jaar was hij het zo beu dat hij een plan beraamde om naar huis te kunnen gaan. Hij had opgemerkt dat zijn chef een groot liefhebber van hengelen was. Maar in Duitsland waren geen hengelmolentjes meer te krijgen omdat alles was afgestemd op de behoeften van de troepen. Hij beloofde zijn chef een molentje uit België mee te brengen bij zijn terugkeer als hij even op vakantie mocht naar zijn 'heimat'. En die vakantie werd hem uitzonderlijk toegestaan.

Norbert dacht er niet aan om terug te keren naar het land van de bezetter. Hij dook onder. Zijn vrouw woonde in bij haar moeder die in Kuurne café De Nieuwe Drille openhield. Het café bestaat nog op de hoek van de Brugsesteenweg en de Watertorenstraat, maar het heet nu gewoon De Drille. Maar toen Norbert terug opdook, moest ook zij de clandestiniteit in vluchten. Het ondergedoken paar kreeg eerst een tweeling. Die stierf van pure ontbering. Zonder noemenswaardige inkomsten en zelfs zonder een mogelijkheid om aan de nodige rantsoeneringsbonnen en -zegels te geraken, waren Jeanne en Norbert veroordeeld tot de honger. Op het einde van de oorlog kregen zij nog een drieling. Twee kinderen stierven kort na hun geboorte in een bombardement, door de luchtdruk. Het derde overleefde enkele maanden later evenmin de extreme armoede en de honger.

De geboorte van Germain was voor zijn ouders als het ware de definitieve overwinning op de bezetting, de vervolging en de extreme armoede. De vreselijke verhalen over de oorlogsjaren kreeg hij met de paplepel opgediend; in zijn familie waren die verhalen echt niet 'van horen zeggen'.

Heule-Watermolen

De tegenslagen zijn het gezin evenwel ook na de oorlog niet bespaard gebleven. Vader Norbert werkte als arbeider in de Kortrijkse Katoenspinnerij (KKS, Stasegemsesteenweg). Door een ontploffing van de pekketel geraakte hij helemaal verbrand. Hij was voor lange tijd werkonbekwaam. Moeder Jeanne zorgde dan voor de broodwinning door café Het Lusthof op Heule-Watermolen open te houden. Op de plaats van het café staan nu appartementen. Het was gelegen rechtover herberg Ons Dorp op de hoek van de Bozestraat en de Izegemsestraat. Op vraag van de Heulse socialisten werd het een wijklokaal van de BSP en er werden ook zitdagen gehouden door de socialistische mutualiteit Bond Moyson.

Voor Germain betekende de verhuis van Kuurne naar Heule-Watermolen dat hij van school moest veranderen. In Kuurne werd hij op de tram gezet naar het Atheneum van Kortrijk. Zelf vertelde hij met enige trots dat hij onderweg naar de 'tramstatie' in Kuurne soms werd opgewacht door kwajongens die hem uitscholden voor 'vuile sos'. 'Wacht maar' dacht hij bij zichzelf: 'ik zàl socialist zijn!'. Op het schooltje van de 'Watermeulen' bleek al ras dat Germain te veel voor lag op zijn klasgenootjes van dezelfde leeftijd. Het onderwijs in 't Atheneum van Kortrijk was blijkbaar van betere kwaliteit - ondanks het gezegsel bij de goegemeente. Na een jaar stak zijn moeder hem op de bus van het Atheneum die ook het dorp aandeed.

Het was op die bus dat Germain, nog in korte broek, zijn latere vrouw Nadia Rasson ontdekte. In de familie wordt nog dikwijls geglimlacht bij anecdoten van romantische aard. Germain was namelijk door schoolverantwoordelijke Duyvejonck benoemd tot 'chef van den autobus'. Germain moet toen al de zin voor verantwoordelijkheid hebben uitgestraald die hem later zo typeerde. In de jaren vijftig heerste nog veel strengheid in het schoolleven. De jongens moesten vooraan in de bus plaatsnemen en de meisjes achteraan. Er moest zogezegd gezwegen worden - wat natuurlijk nooit lukte. Op een bepaalde dag was het rumoer zo erg dat de chauffeur zijn beklag had gemaakt bij voormelde Duyvejonck. Germain werd op het matje geroepen, en na zijn uitleg moest heel de bus honderd keer schrijven dat ze niet meer gingen babbelen onderweg, behalve dan Nadia die Germain had weten vrij te pleiten. Op de bus zaten ook twee zussen van hem, maar die had hij niet verdedigd en schrijven moesten ze! Diezelfde zussen kregen wat later de opdracht aan Nadia de boodschap over te brengen dat Germain haar toch zo graag zag.

Pannenfabriek

Het jaar dat hij 14 werd, ging Germain ferm puberen; zijn moeder heeft het geweten. Hij weigerde nog voort te leren, hoewel hij slim genoeg was om zelfs hoger onderwijs aan te kunnen. Met haar zware gezin kon Germains ma haar zoon geen zakgeld garanderen. Dan ga ik er zelf voor werken, verklaarde hij onverschrokken. Het was wel Jeanne die op zoek ging naar een job voor haar snotneus van 14. Bewust zocht ze het zwaarst mogelijke werk om Germain te laten kennismaken met het werkelijke leven en met de stille hoop dat hij nog van gedacht zou veranderen. Hij werd aangeworven bij de pannenfabriek Le Littoral (Dumolin) aan de Vaart in Kortrijk en daar moest hij als knaap schepen laden en lossen. Het gebeurde dat hij zo strontemoe was 's avonds dat hij op zijn afspraakje met Nadia op zijn fiets in slaap dommelde!

Naderhand mocht hij natte kleipannen te drogen leggen op de droogzolders van de fabriek. Toen ik als liefhebber van industrieel erfgoed enkele jaren geleden de lof zong van die ingenieuze droogmethode (met de restwarmte van de bakovens), kreeg ik van Germain een korzele reactie dat men bij al dat erfgoed ook oog moest hebben voor de afgrijselijke omstandigheden waarin de arbeiders zich daarin moesten afbeulen. In die droogzolders heerste bijvoorbeeld constant een vochtige en stoffige tocht die iedereen op de longen pakte. Germain beschreef zijn jeugd in de pannenbakkerij als volgt: "Ik ben er begonnen op 28 februari 1961 en heb het er uit gehouden tot 22 februari 1963. De droogloodsen waren een gebouw van veel bloed, zweet en tranen. In de winter was het er bitter koud. Ruiten waren taboe in de droogrekken, want de wind moest zorgen voor een vlotte en gelijkmatige droging. De dakpannen werden aangevoerd via een transportband in pakken van 5 stuks. Ik kan U verzekeren dat 5 vers geperste natte pannen zeer zwaar doorwegen voor een knaap van amper 15 jaar. De pannen werden afgenomen van de band en opgestapeld in de droogrekken. Wanneer je naar het toilet moest gaan, moest ge wachten tot er u iemand kwam aflossen. Dan moest ge binnen een bepaald aantal minuten terug zijn of kreeg tegen uw kop van de chef. In de winter was het er stikdonker, buiten hier en daar waar een lichtpeertje aangebracht was. Dikwijls vier, vijf verdiepingen hoog moest ge lopen op twee planken tussen de droogrekken en wanneer er iemand vergeten was om een valluik opnieuw dicht te doen liep je het risico een verdieping lager te arriveren. Kortom een stukje nostalgie verdwijnt, doch van mij mag dat gerust."

Het was zijn vader die hem verloste uit de hel van Dumolin. Op zijn achttiende mocht Germain 'ressorts' gaan inkloppen in de strijkrollenafdeling van wasmachinefabrikant Lapauw in Heule; Norbert Coelembier werkte daar al. De minder afbeulende job liet hem voldoende energie om 's avond te gaan bijleren. In het RITO in Heule behaalde hij een diploma 'draaien en frezen'. Maar 't studeren zelf en het aanscherpen van zijn intelligentie was ongetwijfeld belangrijker dan zijn diploma.

Bond Moyson en ABVV

Intussen was Germain ook actief geworden in de socialistische beweging in Heule. Hij leidde er de jeugdbeweging Rode Valken, die wekelijks bijeenkwamen in een achterzaaltje van het Volkshuis (Kortrijksestraat 230 - is een gewone woning geworden). Op die manier kwam hij ook in het partijbestuur van BSP-Heule.

Emiel Nijs, secretaris van de confectievakbond en later even gemeenteraadslid in Kortrijk, en Werner Botteldoorne, COO-raadslid in Heule en werkzaam in de mutualiteit, overtuigden Germain om mee te doen aan een examen voor loketbediende bij de Bond Moyson. Germain slaagde met glans als primus. Mutualiteitsvoorzitter, later ook een tijdlang burgemeester van Avelgem en senator Marcel Vandenhove wierf hem onmiddellijk aan. Germain werd een graag geziene man achter het guichet van de 'socialistische ziekenbond' in Kortrijk (in het herenhuis in de Groeningestraat 33, waar nu DSD-advocaten huist - het vroegere kantoor van Stefaan De Clerck). Hij werkte er samen met genoemde Werner Botteldoorne en Jeannine Roosen.

Jeannine Roosen was de zuster van Kortrijks vakbondsman Paul Roosen, secretaris van de Algemene Centrale maar ook heel actief in de 'gewestelijke' - sectoroverschrijdende - actie. In 1977 zat het ABVV in Kortrijk een nijpend personeelsprobleem in zijn werklozendienst. Gewestelijk secretaris Eric Vergult ging op aangeven van Paul Roosen aan 'headhunting' doen bij de vrienden van de mutualiteit Bond Moyson. Het was Germain Coelembier die men er weghaalde om de werklozendienst van het ABVV opnieuw vlot te trekken, een zware verantwoordelijkheid. Hij leidde er tot 1990 de uitbetalingsdienst voor werklozen en nadien fungeerde hij nog tot in 1999 als propagandist. Met zijn eigen arbeiderservaring kon hij zich perfect inleven in de noden van het vakbondscliënteel. Geen inspanning - en kopzorg - was hem te veel om zelfs aartsmoeilijke gevallen weer in orde te brengen met de sociale zekerheid.

Ondanks zijn verhuis naar de vakbondsvleugel van de socialistische beweging, liet de mutualiteit hem nooit helemaal los en liet hij de mutualiteit nooit in de steek. Hij bleef actief in zowat alle lokale en regionale besturen en vrijwilligerswerkingen van de Bond Moyson. Toen hij overleed was hij nog voorzitter van Bond Moyson, sector Kortrijk en lid van de raad van bestuur.

Socialisme in Heule

Intussen bleef hij onvermoeid de socialistische partijwerking in de Kortrijkse deelgemeente Heule organiseren en animeren. In Heule is tot heden een socialistische werking op deelgemeenteniveau blijven floreren. Heel geregeld komt men er nog samen voor allerhande gezelligheids- en vormende activiteiten. Hoewel die activiteiten veelal onder de vlag van de rode cultuurvleugel Curieus plaatsvinden, nemen mensen van alle takken van de beweging eraan deel. De 'socialistische gemeenschappelijke actie' bestaat in Heule nog in het echt! En daaraan heeft Germain meer dan een steentje bijgedragen. Hij was er actief secretaris tot aan zijn overlijden. Intussen heeft Bert Herrewyn zijn taak overgenomen.

In september 2010, hoewel ziek, stond Germain nog achter de toog in OC De Vonke voor de jaarvergadering van Viva-Heule, de socialistische vrouwenbeweging (met Nadia in het bestuur). Viva heeft in Heule onder meer een bloeiende hobbyclub. In november 2010 is hij nog met een veertigtal vrienden van S-Plus Heule, de socialistische seniorenvereniging van Bond Moyson, naar het vakantiehuis Barkentijn in Nieuwpoort (waarvan Germain overigens ook bestuur zat) getrokken.

Tot een eind na de fusie van Heule met Kortrijk (1976) was het socialisme in Heule een verschijnsel dat ophield aan de spoorwegovergang. Het bleef beperkt tot het aan Kortrijk (Overleie) grenzende, proletarische deel van de gemeente, met inbegrip van het dorp Watermeulen. Voor de oorlog hadden de pioniers een lokaal geopend in de Vredelaan (nu Stadelaan, een zijstraat van de Kortrijksestraat), in herberg De Halve Liter. Achteraan de herberg deed volksdokter Noppe in opdracht van de Socialistische Vooruitziende Vrouwen raadplegingen voor het Nationaal Werk voor het Kinderwelzijn (nu Kind en Gezin). Na de oorlog (1946) richtte de Algemene Centrale (een vakbond van het ABVV) een eigen Volkshuis op in de Kortrijksestraat 230, ook aan de Kortrijkse kant van Heule.

Germain streefde ernaar ook aan de overkant van 'den travers' wat te betekenen. Na de sluiting van het Volkshuis in de jaren 80 trok hij met het SP-bestuur naar een café in de Koffiestraat in het hartje van Heule zelf. Onder meer op zijn aangeven namen de Heulse kameraden volop deel aan de werking van het Ontmoetingscentrum De Vonke. Bij zijn overlijden was Germain nog actief in het bestuur van het pluralistische initiatief Buren voor Buren.

Seniorenactie

Grensoverschrijdend was eveneens zijn inzet in diverse adviesraden voor senioren. In opvolging van gewezen CVP-burgemeester Antoon Sansen werd hij voorzitter van de Kortrijkse seniorenadviesraad. Tevens trok hij naar het West-Vlaams Overleg Adviesraden van Senioren. Een dossier dat hij bleef behartigen was de verdeling van gratis branddetectoren aan senioren, zoals een Vlaams decreet opdroeg aan de gemeentebesturen. Hij ergerde zich eraan dat stad Kortrijk dat decreet negeerde.

Naast en als gevolg van al die inzet ontwikkelde Germain bovendien een uitgebreid sociaal dienstbetoon. Niets dat zoveel inspanningen vergt als het opvangen, informeren, doorverwijzen, en dossiers bestuderen en begeleiden van individuele mensen in problemen. Bij Germain Coelembier kon men daar altijd voor terecht.

Gemeenteraad

De zoon van Norbert en Jeanne en de echtgenoot van Nadia had dan ook het geknipte profiel als stemmentrekker. De socialistische partij wist hem altijd te vinden voor de gemeenteraadsverkiezingen in Kortrijk. De eerste keer, in 1982, werd hij uitgespeeld op de laatste plaats. Hij werd onmiddellijk verkozen met 980 voorkeurstemmen. In 1988 behaalde hij van op de tweede plaats niet minder dan 1232 voorkeurstemmen. Zes jaar later, op de derde plaats: 1070. In 2000 wou hij eigenlijk liever niet meer opkomen - hij wou zijn energie wat beter verdelen onder zijn uiteenlopende activiteiten. Toch overhaalde men hem om weer lijstduwer te zijn en met 694 voorkeurstemmen was hij weer verkozen. "Ja, we zijn dan toch weer bij de elite van Kortrijk geraakt" telefoneerde hij mij, niet zonder enige zelfspot. Ziek liet hij in 2006 de beker dan toch aan zich voorbijgaan, maar niet zonder in een foldertje heel Heule te bedanken voor het vertrouwen en met de oproep te stemmen voor zijn Heulse kameraden Patrick Nuyttens en Marleen Opsommer.

In de gemeenteraad kwam hij niet zoveel tussen tijdens de openbare zittingen; des te actiever was hij als een soort schakel tussen de bevolking en de stadsadministratie. Als hij tussenkwam, was dat veelal een gevolg van zijn brede dienstbetoon: als hij op een probleem stootte dat verscheidene burgers aanbelangde, dan bracht hij dat al eens te berde in de raad. Bijvoorbeeld over verwaarlozing van begraafplaatsen. Voorts maakte hij veel gebruik van het controle-instrument van de schriftelijke vraag.

In de tijd van de grote beroering in Heule en Bissegem tegen het onzinnige plan van het stadsbestuur om een nieuwe invalsweg (N328) aan te leggen dwars door dichtbevolkte wijken (begin jaren negentig), interpelleerden zowel Germain als ik daar verschillende keren over. In de betrokken buurten was het Germain die gebruik maakte van zijn uitgebreid netwerk om een grootschalige protestactie met volksvergaderingen, pamfletten en een petitie op touw zette.

Een ander dossier waarover hij zich geregeld kwaad maakte in de gemeenteraad, was de belabberde toestand van de Steenstraat, zijn eigen straat. Zijn buren wisten hem immers altijd te vinden.

Een grappige interpellatie hield hij over de staatsiewagen van burgemeester Emmanuel de Bethune (1995-2000). De wagen die men daarvoor eerst had aangekocht, heeft men onmiddellijk moeten inruilen. Het bleek immers dat de burgemeester, met zijn rijzige gestalte (dubbele meter), er niet in kon, ook niet met de meeste moeite van de wereld. Dat detail had men over het hoofd gezien bij de opmaak van het bestek. Kameraad Germain Coelembier maakte daar een geestige interpellatie over, niet zonder te wijzen op de onzorgvuldige manier waarop er met geld van de gemeenschap werd omgesprongen.

Op 11 juni 2007 benoemde de gemeenteraad Germain Coelembier tot eregemeenteraadslid van Stad Kortrijk.

België

De rode rots in de branding, die Germain was, had tevens een onvermoede kant. Op zijn afscheidskaart lees je dat hij nationaal en regionaal voorzitter was van de 'Menslievende Vereniging der Dragers van Eretekens en Medailles voor Daden van Moed en Zelfopoffering van België'. Het gaat om een club die in 1865 is opgericht door koning Leopold I, waarin staatsgedecoreerden elkaar kunnen ontmoeten en filantropische projecten kunnen opzetten. Vooral nogal wat - gepensioneerde - militairen zijn erbij aangesloten. Dat Germain bij die heel-Belgische organisatie zou aansluiten en er zelfs de hoogste functie zou bereiken, lag niet voor de hand. Hijzelf had immers geen legerdienst moeten doen als oudste van de zes in leven gebleven kinderen. 

Het was erkend verzetstrijder Walter Heyttens - hij trok op het einde van de oorlog mee met het Iers leger - die Germain als 'peter' introduceerde in de vereniging. Heyttens zat in het Heulse partijbestuur. Germain die als geen ander kon organiseren, werd er in 1988 al regionaal voorzitter, in opvolging van die andere Kortrijkse verzetsman, Omer Vandemeulebroecke (man van verzetsvrouw Frieda Laverge). Het enthousiasme van Germain voor de gedecoreerdenorganisatie zal wel zijn wortels hebben gehad in de oorlogsmiserie van zijn familie.

Op een decoratiefeest in Ieper werd Germain, van wie de faam als gedegen organisator stilaan in heel de vereniging doordrong, door toenmalig voorzitter mevrouw De Bontridder zelf gevraagd toe te treden tot het nationaal bestuur. Toen mevrouw De Bontridder in 2001 stierf, vroeg het bestuur Germain Coelembier om haar op te volgen en de steun kwam vooral uit Waalse hoek. Germain was immers heel graag gezien aan de overkant van de taalgrens. Hij heeft zich werkelijk tot en met ingespannen om een brug te slaan tussen de gemeenschappen in de vereniging, de Duitstalige niet uitgesloten. Nadia getuigt dat Germain in die vereniging enorm veel tijd heeft gestoken. Als bruggepensioneerde had hij er een dagtaak aan! Uit dankbaarheid heeft de vaderlandslievende vereniging na het overlijden van Germain Coelembier zijn weduwe Nadia Rasson benoemd tot erevoorzitter.

Afscheid

Het was te voorspellen dat op de afscheidsplechtigheid voor Germain Coelembier enorm veel volk zou aanwezig zijn. Op het podium van vrijzinnig ontmoetingscentrum Mozaïek stond een zee van vooral Belgische vlaggen. Germain zelf had het grootste deel van de plechtigheid nog zelf geregisseerd, als organisator tot op 't laatst. Ook de tekst op het aandenken was van zijn hand. Het afscheidswoord laat vooral zien dat Germain ondanks zijn uitputtende maatschappelijke inzet eveneens een warme familieman was. Hij schreef de tekst korte tijd voor zijn overlijden, met als eindzin: "Ik denk dat ik alles gezegd heb wat ik wou zeggen; ik ben nu moe en uitgeput en ga nu slapen. Dank voor alles en leve België".

De familieleden en vrienden rond zijn stoffelijk overschot werden op het einde van de plechtigheid verrast met de song 'We'll meet again' van Vera Lynn (1939). Verrassend voor de overtuigde vrijzinnige die Germain Coelembier was! Of wou hij nog een laatste maal herinneren aan de opofferingen van zijn ouders in de Tweede Wereldoorlog - voor hem een levenlange inspiratiebron?

17-01-11

Een uienkweker uit Bellegem wil ook zonne-energie produceren, maar ...

 

gasel2.JPG

Het Kortrijkse stadsbestuur blijft worstelen met particuliere initiatieven van groene energie. Dat ondervindt nu ook een uienboer in Bellegem. Hij wil op de aanzienlijke oppervlakte van de daken van zijn hoevegebouwen zonnepanelen plaatsen. Tot daar geen probleem: daarvoor is geen vergunning meer vereist. Maar hij wil wat verderop in de Leuzestraat een eigen elektriciteitscabientje installeren, voor de distributie van zijn zonnestroom naar zijn eigen bedrijf en voor levering aan het openbare net. Het stadsbestuur reageert afwijzend omdat het cabientje te ver af staat van de hoeve. Nochtans behelst de aanvraag ook een groenscherm. De cabine op de foto is veel hoger dan deze in dit dossier.

Award

Marc en Katrien De Tavernier-Vanhaecke leggen zich in Bellegem onder meer toe op de teelt van vollegrondsgroenten zoals aardappelen, wortelen en uien. Vorig jaar sleepte de uienkweker nog een 'Inno Potato Award' (1500 euro) in de wacht voor een door hem ontworpen snelwisselsysteem op de rooiunit voor het oogsten van zijn akkervruchten. Dank zij die snelkoppeling duurt het geen uren meer om zijn rooimachine van constructeur Dewulf in te stellen voor een bepaalde teelt. Binnen de drie minuten kan men nu naar behoefte de rooiunit voor aardappelen vervangen door een voor wortelen of door een opraapunit voor uien.

De innovativiteit van de bedrijfsleider beperkt zich niet tot zijn machines. Hij schakelt nu ook over op zonne-energie. Op de ettelijke vierkante meters bedaking van zijn bedrijfsgebouwen komen zonnepanelen. Die fotovoltaïsche panelen zullen niet alleen leveren aan het landbouwbedrijf maar ook aan derden. Die distributie vereist een nieuwe elektriciteitscabine. En daarvoor is een stedenbouwkundige vergunning nodig.

Gebouwtje

Het stadsbestuur weigert evenwel gunstig advies te verlenen omdat "de aanvraag niet in overeenstemming is met de goede plaatselijke ordening en met zijn onmiddellijke omgeving". Voor de zonnepanelen zelf is inmiddels geen vergunning meer nodig.

De cabine die De Tavernier wil bouwen bestaat eigenlijk uit twee tegen elkaar geplaatste cabines. Samen beslaan ze niet meer dan 5,4 op 3,5 meter. Het gebouwtje krijgt een zadeldak met een nokhoogte van niet meer dan 3,5 meter (kroonlijsthoogte: 2,3 meter). Het betreft betonnen standaard prefabcabines, met een metalen deur en verluchtingsluiken; dat alles in een groene kleur gezet.

Streekeigen groen

Het stadsbestuur valt vooral over het feit dat het bouwsel niet tegen de bedrijfsgebouwen wordt aangebouwd. De beoogde bouwplaats is op de hoek van de Leuzeweg en voetweg nr. 76. Het ajuinverwerkend bedrijf is volgens het dossier 'iets dieper gelegen'. Het bestuur laat zich niet vermurwen door een twee meter brede groene bufferstrook met streekeigen groen. En ook het voornemen om een meter of vijf afstand te bewaren ten opzichte van de beek, maakt onvoldoende indruk. 

De bedrijfsleider verweert zich met een eerdere vergunning die verleend werd aan Eandis (werkmaatschappij van Gaselwest) om op zijn bedrijfsgrond een stroomcabine te plaatsen. Volgens het stadsbestuur gaat dat argument niet op omdat de vergunning inhield dat de cabine dicht tegen de bestaande bebouwing zou komen.

Storend element? 

Volgens het stadsbestuur zou het gebouwtje (verkleinwoordje gebruikt in het dossier) een storend element vormen in het vrij open landbouwgebied. De Leuzestraat wordt omschreven als een landelijke weg die een verbinding maakt tussen de Bellegemsestraat en de Doornikserijksweg. Ter plaatse van de aanvraag is de straat, volgens het stadsbestuur zelf, gekenmerkt door landbouwgronden "met gespreide bebouwing van een aantal hoeves en/of woningen".

Er wordt niet bijgezegd dat de Leuzestraat wat verderop de zoom van Bellegembos volgt en daar slechts aan een kant een panoramisch uitzicht heeft op de akkers, weiden en 'gespreide bebouwing'. De opmerking dat cabine 'en omliggend groen' een visueel obstakel vormen in het vrij open landbouwgebied is dan ook niet helemaal onbetwistbaar. Als dat schermgroen voldoende dik en hoog is, kan het zelfs als klein landschapselement de omgeving visueel verrijken.

Eerder weigerde het stadsbestuur, eveneens in Bellegem (aan de andere kant van Bellegembos), een vergunning aan particulieren die een eigen windmolentje wilden installeren voor de opwekking van stroom. Het stadsbestuur is blijkbaar nog altijd niet gegrepen door de 'sense of urgency' met betrekking tot alternatieve energie.

06-01-11

Een gedenkteken voor de slaven van Sion - oproep aan Moniek Gheysens en Christine Depuydt

Sion1.JPG

Er is nogal wat aandacht voor het Sion-klooster dat ooit in Kortrijk heeft bestaan. De Leiegouw wijdt er een themanummer aan, met medewerking van historica Anneleen Lybeer die Sion als onderwerp van masterproef koos. De zustersgemeenschap was gevestigd in de Wijngaardstraat ter hoogte van wat nu het Sionstraatje wordt genoemd. Daar is nu het winkelcentrum K in Kortrijk gevestigd. Wat mij in hoge mate verbaast, is dat er zo weinig medeleven is met de vreselijke toestanden die zich in die gemeenschap hebben voorgedaan.

Zeker een lange periode was Sion het naargeestige decor van slavenarbeid en fysieke en geestelijke terreur, waarbij zelfs geen kinderen werden ontzien. Een beperkte superieure categorie beter gesitueerde intreedsters werden er naar hun stand en financiële inbreng behandeld. Maar de gemeenschap recruteerde vooral armere meisjes - soms op zeer jonge leeftijd - die, opgesloten, een leven van zware onbetaalde arbeid in de textiel en de confectie tegemoet gingen.

Als men dan al wil herdenken wat er zich ooit eeuwen geleden afspeelde op de locatie van K in Kortrijk, dat men dan eerst en vooral denkt aan die slachtoffers. Een gedenkteken in of nabij het winkelcentrum zou gepast zijn. Daarvoor doe ik een publieke oproep. In de gemeenteraad is het veelal Moniek Gheysens die met artistieke projecten onverwachts uit de hoek durft te komen. Christine Depuydt is dan weer schepen van cultuur. Ik hoop dat ze zich aangesproken voelen.

Laat mij vooraf duidelijk zeggen dat het Sion-klooster is opgedoekt tijdens de Franse Revolutie, eind de 18de eeuw. Het heeft niets te maken met bijvoorbeeld de zusters die de school Bijstand hebben gerund. Van het Sion-klooster bestond ook al lang geen enkel gebouw meer. De panden die werden afgebroken voor de bouw van K in Kortrijk, hadden er evenmin iets mee te maken. De foto's bij dit stuk zijn slechts sfeerbeelden van de plek waar ooit Sion was. 

Slauernie 

"Het klooster richtte zich op de opvang en de ambachtelijke vorming van arme meisjes” staat te lezen in een ander artikel in De Leiegouw, geschreven door de archeologen die de bodem rond het Sionstraatje onderzochten voordat de machines aanrukten voor de bouw van het winkelcentrum K in Kortrijk. De uitgebreide bijdrage van historica Anneleen Lybeer over de Kortrijkse kloostergemeenschap van Sion tijdens de late middeleeuwen (1429-1580) in diezelfde Leiegouw (aflevering 2 van 2010) weerlegt die naïeve bewering grondig.

Anneleen Lybeer doet haar uiterste best om de praktijken van Sion te kaderen in 'de Moderne Devotie', een kerkelijke stroming die toen opgang maakte. Maar haar concrete beschrijving van het leven in die gemeenschap – gebaseerd op de kroniek van 'biechtvader' Olivier Minnaert (zestiende eeuw), onlangs aangekocht door stad Kortrijk, werpt een heel ander licht op Sion. Wie er met hedendaagse lekenogen naar kijkt, ziet toestanden zoals er vandaag de dag nog te vinden zijn in India bijvoorbeeld: opsluiting en onbetaalde arbeid, veelal van op heel jonge leeftijd, en geestelijke en fysieke verdrukking. Sion was, zeker in de beschouwde periode, eigenlijk een textielmanufactuur, een van de eerste van Kortrijk, draaiend op onbetaalde en onvrije arbeidskracht.

In tegenstelling met de meeste andere Middeleeuwse religieuze gemeenschappen leefde het Kortrijkse Sion niet vooral van giften en inkomsten van grondbezit, maar van de arbeid van de vrouwen die er deel van uitmaakten. De beruchtste beschrijving over het Kortrijkse Sion betreft precies dat werk; voormelde kroniek meldt dat om 'de schamele kost te verkrijgen' de zusters zich in de begintijd moesten bezig houden met het kammen, kaarden en spinnen van wol 'ende ghelijcke vule slauernie'. Kroniekschrijver Olivier Minnaert stelt het voor alsof die 'vuile slavernij' werd afgeschaft door het ingebruiknemen van een batterij spinmolens en weefgetouwen voor linnen (vlas) in plaats van wol. Uit latere notities blijkt dat er ook ruw vlas werd gehekeld. Of die vlasverwerking zoveel lichter en gezonder was, is nog maar de vraag. Maar na verloop van tijd begaven de werkplaatsen van Sion zich toch ook weer aan de vermaledijde wolverwerking.

Tafeliertjes

Uit het onderzoek van Anneleen Lybeer blijkt dat er grof geschetst drie soorten zusters achter de muren van Sion waren te vinden: de echte nonnen (ook koorzusters genoemd), en twee soorten 'donatinnen' (lekenzusters) waarvan de ene soort hun bezittingen in de gemeenschap brachten en de andere soort alleen maar hun arbeid hadden om in te brengen en dus ook het zwaarste en vuilste werk kregen. In de late Middeleeuwen behoorde een kwart van de zusters tot de welgestelde zusters. Volgens historica Lybeer "bleken nonnen steeds uit de meer gegoede maatschappelijke klassen te stammen". Ze "moesten dus op sociaal/familiaal, persoonlijk en geestelijk vlak geschikt zijn om deze levenswijze waardig te zijn". 'Rijkere' zusters kregen op deze manier een levensstijl die aansloot bij hun stand. Terwijl 'armere' zusters een leven aangingen op een lager niveau, ook weer overeenstemmend met hun achtergrond.

Als je leest 'een leven aangingen', denk dan vooral niet te veel aan 'uit vrije wil'. De meeste intreedsters waren tussen de 12 en 18 jaar. Maar er waren ook veel jongere meisjes die door hun ouders in Sion werden weggestoken, wellicht in de hoop daarmee de hemel voor hun ouders te garanderen. En voor andere ouders moet het een poging zijn geweest om hun kind uit de extreme armoede te redden. Zo werd Calleke van Heeke aan het convent toevertrouwd op de leeftijd van 14 maanden en zeventien dagen. Het klooster hield er ook een soort school op na: meisjes kwamen vanaf zes jaar in de gemeenschap wonen ('tafeliertjes' werden ze genoemd). Maar Anneleen Lybeer merkt op dat de tafelieren door de zusters werden voorbereid op het kloosterleven en dat de meesten nadien zuster werden.

Concurrentie

Het blijken vooral de 'biechtvaders' (door Sion onderhouden priesters) te zijn die de gemeenschap lieten investeren in zware textielbedrijvigheid. Er werd zowel vlas (linnen) als wol ruw bewerkt, gesponnen en geweven. Dat gebeurde van 's morgens vroeg tot aan de 'completen' (avondgebed tussen 20 en 21 uur). Bepaalde werkzusters sliepen zelfs op een zolder boven het spinhuis. De 'nonnen', de elitezusters, ontsnapten grotendeels aan de zware arbeid, die werd overgelaten aan de werkzusters. Zelfs de tafelieren werden aan het werk gezet, om fijn en grof garen te spinnen.

In die tijd werd de textielarbeid veelal verricht in gezinsverband, in opdracht van opkopers of grondstoffenleveranciers. Wat in Sion gebeurde was eigenlijk al een stapje verder in de industriële ontwikkeling: er werd met vereende krachten en onder leiding in groep gewerkt, in panden (spinhuis, weefhuis, enzovoort) waar de kaardtoestellen, spinmolens en weefgetouwen bijeenstonden. Sion was een van de eerste manufacturen (fabrieken zonder motoren) van Kortrijk. Op zichzelf was dat al een formidabel concurrentieel voordeel. Maar het feit dat de zusters werkten voor niets (schamele kost en inwoon) was dat nog veel meer.

Tegen die 'oneerlijke' concurrentie kwam dan ook fel verzet van al wie in Kortrijk op normale basis bezig was met spinnen en weven. De Sionzusters konden nauwelijks aan grondstoffen geraken op de lokale markt en ook hun afgewerkte produkten moesten ver buiten Kortrijk aan de man worden gebracht. Anneleen Lybeer beschrijft hoe de Sionzusters eigenlijk in een soort van schuldslavernij werkten. Zij werkten permanent op krediet en konden de leveranciers van grondstoffen (uit het toen verre Gent) pas betalen nadat zij hun afgewerkte produkten hadden verkocht (in Brugge en omstreken).

Slagen

Onvoorstelbaar is de geestelijke druk waaronder de zusters moesten leven door de gehanteerde biecht- en boetepraktijken. Op kerkelijke feestdagen werd men bijeengeroepen in een zogenaamd 'schuldkapittel', waarop iedereen publiekelijk werd vermaand voor persoonlijke fouten en gebreken. Die vermaningen gingen gepaard met even publiek opgelegde boetedoening, zoals: pakken slagen, meestal met een roede op het achterwerk door medezusters, verplicht een voorwerp rond de hals moeten dragen zoals een mes of een pot, zich moeten verkleden met een pels, enkele dagen opgesloten worden in de stal van de koeien, de kalveren of de varkens.

Wie op de publieke sessies te weinig tekortkomingen bekende, werd door de biechtvader weggestuurd zonder vergeving van de zonden en moest met een omvangrijker opbiechting terugkomen, soms tot vier keer toe. Een andere gewoonte waren de 'biechtrollen', een persoonlijk register, publiek, van alle gebreken die een zuster van zichzelf kon herinneren, van kindsbeen af, aangevuld door alles wat men haar kwalijk nam sinds zij in Sion vertoefde. Dat noteren gebeurde tijdens het spinnen en weven door, kwestie van niet veel produktieve tijd te verliezen.

Overbelasting

Na de sloop van de bestaande bebouwing om de gronden bouwrijp te maken voor het winkelcentrum K in Kortrijk, is er korte tijd een groep archeologen neergestreken op die site. Ook daarvan geeft De Leiegouw een interessant verslag. Op de plaats waar ooit Sion stond, vonden zij in de ondergrond onder meer een begraafplaats van het klooster. De aandoeningen die men op de gevonden beenderen aantrof, zijn absoluut niet in tegenspraak met de bevindingen van Anneleen Lybeer.

De meeste geraamten vertoonden degeneratieve gewrichtsaandoeningen, slijtage aan de grote gewrichten zoals de heupen, de knieën, de schouders en de ellebogen, zeker deels veroorzaakt door overbelasting (te zware arbeid). Veel stoffelijke overblijfselen laten vermoeden dat men leed aan tekorten van ijzer en vitamine D (leidend tot de Engelse ziekte, rachitis, o.m. door een tekort aan zonlicht).

Veel andere geraamten vertoonden dan weer de typische kloosterziekte DISH (Diffuse Idiopathic Skeletal Hyperostosis), een vergroeiing van de ruggengraat als gevolg van een te rijkelijke voeding. Het verslag in De Leiegouw legt geen verband met de aanwezigheid van twee soorten zusters (rijke nonnen en arme werkzusters) in Sion. Overigens zou het logisch zijn dat vooral van de echte (rijke) nonnen beenderen bewaard zijn gebleven omdat verondersteld mag worden dat die nonnen met meer zorg aan de aarde werden toevertrouwd dan de arme werkzusters.

Kribben

Een onthutsende passage in het artikel van Anneleen Lybeer betreft de overbevolking van het Sion-convent. Waarschijnlijk om gunstig af te steken tegen het beleid van zijn voorgangers, beschrijft biechtvader Olivier Minnaert in zijn kroniek de levensomstandigheden die hij aantrof. Alle zolderruimtes moesten als slaapzalen worden ingericht. Daar werden (te) kleine bedden gestapeld, veleer kribbes, heel dicht bij elkaar. In bepaalde zolders konden de zusters niet tegelijk gaan slapen of opstaan.

Zo werden zij ook te slapen gelegd op de zolderingen van hun kerkje, drie zolders boveneen. Dat had voor bepaalde zusters het voordeel dat zij verkozen hun bed niet meer te verlaten voor de missen aangezien zij op hun zolder toch alles konden horen. Boven de refter (ook al te klein - men at in shifts) waren er twee slaapzolders boven elkaar. En zelfs boven de koeienstal, een zolder met een aarden vloer, stonden de bedden bijeen gepakt. De kroniek zegt zonder omwegen dat de zusters dan ook werden geplaagd door allerlei ongedierte zoals luizen. Volgens Minnaaert leidde dat ook tot een achteruitgang van goed gedrag en zeden onder de Sion-bewoners.

Oproep voor een gedenkteken

Het themanummer van De Leiegouw (zie ook website) heeft de verdienste dat het de schijnwerper zet op een weinig gekend klooster uit de rijke religieuze geschiedenis van Kortrijk. Vooral de bijdrage van Anneleen Lybeer geeft soms een onverbloemd beeld van het harde leven dat er in dat 'aardse vagevuur' - sommige biechtvaders meenden dat zij door de zusters te laten lijden (publieke boete) hun oversteek naar de hemel na hun dood bespoedigden - jarenlang heerste. Niettemin concludeert zij uit haar bevindingen niet dat zich daar in feite wantoestanden hebben afgespeeld waar het hedendaagse Kortrijk alleen met afschuw en medeleven voor de slachtoffers kan aan terugdenken.

Vandaar de publieke oproep die ik hiermee wil doen om met een of ander kustwerk een gedenkteken aan te brengen in of in de omgeving van het winkelcentrum K in Kortrijk. Ik denk bijvoorbeeld aan een sculptuurwedstrijd. Eerder al kwam gemeenteraadslid Moniek Gheysens vaker met onverwachte voorstellen in die zin uit de hoek. Zij maakt trouwens deel uit van het stedelijke adviescomité Sculpturen in de Stad. Cultuurschepen Christine Depuydt is dan weer het aangewezen aanspreekpunt om in het stadsbestuur een dergelijk initiatief te nemen.   .

Leden en abonnees van De Leiegouw krijgen het themanummer over Sion als nr. 2 van de jaargang 52. Het nummer kost in losse verkoop 15 euro. Bestellen kan bij de ledenadministratie.

Sion2.JPG

 

01-01-11

Allerbeste wensen en een boeket voor 2011

Reepbrug 1 Rode Spoorbloem.JPG

Kortrijklinksbekeken wenst al zijn lezers, bezoekers en toevallige surfers

het allerbeste voor 2011.

 

Het hoeven in Kortrijk niet altijd gulden sporen te zijn.

Op de foto staan een paar bosjes 'rode spoorbloemen'.

De bakstenen kaaien van de nieuwe Leie

tussen het Hospitaal en de Fabriekskaai ter hoogte van de Reepbrug

waren vergeven van die anders niet zo courante plant.

Ik ben eens benieuwd of ze de Leieverbredingswerken zullen overleefd hebben.

Reepbrug.JPG

De foto's zijn intussen al wat anachronistisch.

De Reepbrug zelf heeft de Leiewerken niet overleefd.

Maar misschien valt in 2011 de beslissing

om er een nieuwe te bouwen...

Rode Spoorbloem 1.JPG

Rode Spoorbloem 2.JPG

En zweeft daar geen ooievaar in het zwerk (eerste foto)?

't Kan ook een reiger zijn

of een aalscholver.

Waarschijnlijk een goed voorteken!