02-08-10

De Congoreis van Arthur Clays (3): de Union Minière du Haut-Katanga

De Kortrijkse rode senator J. Arthur Clays bezocht Belgisch Congo in september-oktober 1955, als lid van een delegatie van de commissie voor Landsverdediging van de Senaat. Behalve een inspectie van twee in opbouw zijnde legerbasissen – die de Kortrijkzaan maar matig konden interesseren – werd het gezelschap ook een propagandistische rondreis in de Belgische kolonie aangeboden. Zo bezocht men onder meer de grootschalige koperwinning in de provincie Katanga. Arthur Clays liet zich als socialist geen rad voor de ogen draaien. In zijn reisindrukken geeft hij naar aanleiding van dat bezoek ongezouten commentaar op de arbeidsverhoudingen in de kolonie. De documentatie die hij verzamelde om zijn reisindrukken te stofferen, onderstrepen zijn kritiek.

accongo3 1.jpg

Labeur

Heeft men aan de neger wel een dienst bewezen door hem weg te halen uit de brousse? Dat vraagt senator Arthur Clays zich af na een bezoek op 3 oktober 1955 aan de mijnen van Kipushi en de fabrieken van Union Minière du Haut-Katanga (UMHK) in Elisabethstad (Lubumbashi). In zijn reisindrukken noemt hij de mijnen van Kipushi de rijkste van de wereld. Er wordt vooral koper maar ook zink als bijproduct uit de ertsen gehaald. De senator daalt samen met enkele andere moedigen af in een schacht tot 500 meter onder de grond.

accongo3 5.jpg
Daarna gaat men een kijkje nemen in een van de UMHK-fabrieken. De senator, die zelf als elfjarige in de textiel moest gaan werken, ergert zich vreselijk aan de arbeidsomstandigheden van de Afrikaanse arbeiders. Clays: “Het werk is er zwaar en lastig en het is er verschrikkelijk warm. Het gloeiende koper loopt als water zonder onderbreking”. In die tijd was er nog volop een rassenscheiding in de arbeidsorganisatie: de zwarten waren arbeiders, de Europeanen bediende. Men geneerde zich niet om daarvoor zelfs medische redenen aan te halen: “Bezuiden de evenaar kan de Belg nauwelijks ander werk uitoefenen dan dat van leidinggeven. Het continue fysieke labeur, elke vorm van handenarbeid, wat op zichzelf al lastig genoeg is, is er hem min of meer verboden”. Dat schreef in 1923 de gewezen katholieke premier Henri Carton de Wiart (Mes vacances au Congo).

Slaaf

De leden van de senaatscommissie krijgen er een cadeautje. Arthur Clays is er niet mee gediend. Hij noemt het “een blijvend aandenken van de slavenarbeid der negers, een bewijs van de kapitalistische roof van de Congolese bodemschatten”. In de voordrachten met 'lichtbeelden' waarmee de senator nadien de lokale afdelingen afschuimde, gaf de autodidact volgende beschrijving van het personeelsbeleid van Union Minière: “Zeker, men doet veel voor de neger-arbeiders. Men geeft ze 'een brokke van een huis'. Ze worden geneeskundig verzorgd. Men spant zich in om ze zo lang en zo goed mogelijk aan het werk te houden. Men spoort ze zelfs aan tot het verwekken van kinderen, om deze morgen eveneens te kunnen gebruiken. De negers zijn weggehaald van hun stam en dorp. Men heeft ze volledig afgezonderd om te beletten dat ze naar hun oude stam terug zouden keren. Zo kan men ze het langst mogelijk als slaaf gebruiken”.

accongo3 22.JPG

De Kortrijkse socialist zag trouwens nog andere tekenen van slavernij in Belgisch Congo. Hij stoorde zich mateloos aan het gebruik van 'boys', jonge mannen als huis- tuin- en keukenhulpje van de vrouwen van de blanke kolonialen. De advertentie aan het begin van dit stuk illustreert de verhoudingen toen. Zij verscheen in het tweewekelijks blad Nsango Ya Bisu, het orgaan van de Force Publique, dat gepubliceerd werd in het Lingala.

Uitzonderlijk hoog

Wat het roven betreft, had de rode senator het zeker bij het rechte eind. De UMHK haalde in die tijd recordomzetten en -winsten. 225.000 ton koper werd in 1954 uit de Afrikaanse grond gehaald, goed voor een omzet van bijna 11 miljard frank, waarvan niet minder dan 10% werd verdeeld onder de – vooral Belgische – aandeelhouders. De omzet van de UMHK was in die jaren merkelijk groter dan de hele staatsbegroting van 'Belgisch-Congo', die in 1954 uitkwam op 9 miljard frank inkomsten tegenover 7,5 miljard frank uitgaven.

In de documentatie die Arthur Clays verzamelde, zit een rede van gouverneur-generaal Léon Pétillon, toen het hoogste gezag in de kolonie. De man – naar wie een metrostation in Brussel is genoemd – heeft het over “de prachtige en aanhoudende voorspoed van Congo” die blijkt “uit het onderzoek van de tegenwoordige opbrengst van het kapitaal in dit land. Deze opbrengst – in sommige gevallen uiterst hoog – maakt niet alleen een milde bezoldiging der aandeelhouders mogelijk, maar ook voordelige afschrijvingen, voortdurende zelffinanciering en vorming van zeer belangrijke reserves van allerlei aard”. De senaatscommissie werd persoonlijk door de gouverneur-generaal verwelkomd bij aankomst op 23 september en met een lunch de dag nadien.

accongo3 6.jpg

Kampementen

Ook de bitse beschrijving die Arthur Clays geeft van de personeelswerving van de Union Minière snijdt hout. “Katanga barstte van de ertsen, maar er was geen mens om ze op te graven” schrijft David Van Reybrouck in zijn recente standaardwerk 'Congo. Een geschiedenis' (p. 136). In de savanne leefden amper mensen en de bewoners van de schaarse dorpen in de omgeving waren nauwelijks bereid zich in de helse mijnen en fabrieken te gaan afbeulen. In de beginfase liet UMHK 'private contractors' jonge mannen ronselen uit heel Congo en uit de buurlanden, met vaak betwistbare praktijken zoals het omkopen van dorpshoofden en geweld. Naderhand lokte de koperreus zijn werkvolk met iets hogere lonen en met enkele sociale voorzieningen. Dat paternalistische beleid had zoals senator Clays het zo plastisch weergeeft, als bijkomend voordeel dat men langer kon wachten eer men de geoefende arbeiders moest vervangen door nieuwkomers waar kosten aan waren.

UMHK bracht zijn arbeiders bijeen in afgesloten dorpen, die waren losgesneden van de traditionele dorpsstructuren. In tegenstelling daarmee lieten andere koloniale ondernemingen hun werkvolk bij de fabrieken installeren volgens hun etnische gewoonten. In de arbeiderskampen van de Union Minière stond er telkens een blanke kampchef aan het hoofd, die van elke arbeider en zijn familie een fiche bijhield en tuchtmaatregelen kon nemen. Tot 1923 waren vrouwen verboden in de kampementen. Nadien mochten de arbeiders hun vrouw laten overkomen, maar tot aan de onafhankelijkheid moesten die vrouwen aan de kampchef toestemming vragen om even naar hun dorp op bezoek te gaan. En ook de kweekpolitiek die Arthur Clays aanklaagt, is niet uit de lucht gegrepen. Van Reybrouck: “Haar kinderen [van de arbeidersvrouw] moesten al vanaf hun tiende jaar lessen handarbeid krijgen, kwestie van hen voor te bereiden op het latere werk” (p. 186).

accongo3 4.jpg

Sociale vrede

In zijn voordrachten liet de rode senator zich ontvallen: “Eigenlijk zijn de toestanden in de Congolese industrie zoals bij ons vijftig jaar geleden [n.v.d.r. rond 1900 dus]. Met het socialisme en de arbeidersstrijd zijn wij erin geslaagd ons uit die ellende te bevrijden. In Congo moet het ook zo verlopen”. Met die mening stond hij diametraal tegenover het officiële standpunt zoals verwoord door gouverneur-generaal Pétillon in zijn voormelde rede: “De sociale strijd hebben wij in Congo vermeden, omdat de wijsheid van de werkgevers hem nutteloos heeft gemaakt. En ook omdat de openbare machten, doordrongen van het belang van hun verheven rol van voogd over de inboorlingen en van bewaker van de sociale vrede, voortdurend en tijdig de passende maatregelen hebben getroffen”. In 1941 werd een staking van het inlands personeel van de Union Minière in Lubumbashi bloedig neergeslagen met een fusillade waarbij minstens zestig doden en meer dan honderd gewonden vielen...

Lange tijd, tot 1946, was het in Congo voor de 'inlanders' verboden aan te sluiten bij een vakbond. De Belgische vakbonden, ACV en ABVV, waren er wel actief maar aanvankelijk uitsluitend onder de Europeanen. In 1955 waren er in Congo zowat 12 miljoen zwarten en 100.000 blanken. Van de bijna 1,2 miljoen loontrekkenden in dat jaar waren er amper 6160 zwarten gesyndiceerd. Volgens Van Reybrouck was de tegenwerking van het koloniale bestuur de oorzaak van de lage syndicalisatiegraad.

Julien Decock

Dat belette Arthur Clays niet om de eerste dagen van zijn bezoek enkele keren zijn mede-senatoren in de steek te laten om op eigen houtje een bezoek te brengen aan een ... rood Kortrijks gezelschap in Kinshasa (Leopoldstad toen). Het waren de Kortrijkse ABVV'ers Julien Decock – na zijn terugkeer nog een tijdlang socialistisch gemeenteraadslid in Kortrijk – en 'vader en zoon' Mulleman - eerder socialistische pioniers van aan de Gentpoort. Achter de rug van de gouverneur-generaal stonden die kameraden hun stadsgenoot al op te wachten toen het hoge gezelschap landde op Congolese bodem. Terwijl de andere senatoren bleven hangen op de receptie van de commandant van de Force Publique, generaal-majoor Emile Janssens, troonde Arthur Clays de andere socialistische senatoren (Knops, Brassart en Missiaen) mee naar zijn vriend Julien Decock (zie volgende foto).

accongo3 3.jpg

's Anderendaags (24 september) liet Clays een receptie op de Japanse ambassade schieten voor een heuse vergadering van de socialistische vriendenkring van Leo, in het huis van het ABVV. In zijn reisindrukken noemt de rode senator de vergadering “buitengewoon”: “Er waren niet minder dan zeventig kameraden en gezellinnen aanwezig, waaronder een tiental negers. Een neger ontpopte zich als een flink redenaar”. Ik heb niet kunnen achterhalen wie die redenaar was. Bij de onafhankelijkheidsplechtigheid van Congo op 30 juni 1960 zei premier Patrice Lumumba, ook een begenadigd spreker, onder meer: “Wij hebben dwangarbeid gekend in ruil voor lonen die veel te laag waren voor voldoende voeding, degelijke kledij, menselijke huisvesting en decente opvoeding van onze kinderen”. Dat was Arthur Clays vijf jaar eerder niet ontgaan.

Dit stuk maakt deel uit van een feuilleton naar aanleiding van de vijftigste verjaardag van de onafhankelijkheid van Congo op 30 juni 2010. Er komen nog meer afleveringen, met originele, nooit eerder gepubliceerde foto's. De inleidende aflevering verscheen op 1 juni, de eerste aflevering op 7 juni 2010 de tweede aflevering op 26 juni 2010.

De commentaren zijn gesloten.