20-06-10

De Congoreis van Arthur Clays (2): naar de moederlandse legerbasissen in de kolonie

accongo 3003

De Kortrijkse rode senator J. Arthur Clays bezocht Belgisch Congo in september-oktober 1955 als lid van een delegatie van de commissie voor Landsverdediging van de Senaat. Het hoge gezelschap ging er twee in opbouw zijnde basissen inspecteren van het Belgisch Leger, Kamina (in Katanga) en Kitona (Banana, Neder-Congo). De Belgische kolonie had haar eigen gewapende macht: de Weermacht (Force Publique), die volledig apart van het 'moederlandse' of 'metropolitaine' Belgische Leger opereerde. Pas in de jaren vijftig vond men het in Brussel geraadzaam om in de verre en uitgestrekte kolonie ook een uitvalsbasis te creëren voor de moederlandse troepen. Daarover werden in de Senaat en de Kamer van Volksvertegenwoordigers uiteenlopende debatten gevoerd. De reis van de commissie werd naar aanleiding van die debatten georganiseerd.

Moederland

"Het Belgisch grondgebied is te klein voor een modern leger. Een hedendaags leger moet kunnen steunen op voldoende versterkings- en bevoorradingsbronnen." Dat was een van de conclusies van de Gemengde Militaire Commissie die in 1946 werd opgericht door de prins-regent. De commisie bestond uit militairen en parlementsleden en moest de lessen trekken uit de militaire belevenissen van ons land in de voorbije Tweede Wereldoorlog. Eerst dacht men aan een basis in Groot-Brittannië. Maar men was er zich al ras van bewust dat het Noordzeetje een eventuele Russische invasie niet zou tegenhouden.

Vandaar dat de beslissing werd genomen om in de toenmalige kolonie die uitvalsbasis te bouwen. Profijtelijk zorgde men er wel voor dat die investering geen frank kostte aan het moederland. Aan het koloniaal bestuur werd de opdracht gegeven het geld voor de bouw van de basissen te laste te nemen.

accongo 3001

Uranium

CVP-senator Willy Van Gerven zei in 1952 in een debat in de Senaat waar het op stond: "België [met inbegrip van de kolonie Congo bedoelde hij] is een zeer aanzienlijk voortbrenger van uranium, kobalt en koper, materialen die onontbeerlijk zijn voor het voeren van een moderne oorlog". Om die schatten te beschermen moest het Belgisch Leger een eigen basis hebben in Congo. Niet voor niets werd de hoofdbasis gebouwd in Kamina, in de meest ertsrijke provincie Katanga.

Maar Van Gerven had nog een argument: "De aankomst van een eerste contingent valschermspringers en commando's te Kamina is een vingerwijzing dat ondanks het anti-kolonialisme, dat tot uiting komt in de Verenigde Naties, wij niet bereid zijn afstand te doen van de opdracht die wij ons zelf hebben opgelegd om de Congo te openen voor de beschaving [...] op het ogenblik dat de Mau Mau [guerillabeweging tegen de Britten in Kenia] een ander koloniaal gebied onveilig maken".

De legerbasissen hadden dus een dubbel doel: de winning van uranium en andere kostbaarheden verdedigen tegen buitenlandse mogendheden en de Belgische greep op de kolonie verdedigen tegen eventuele opstanden van de inlandse bevolking.

accongo 2002

Force Publique

Dezelfde teneur had in 1953 de toespraak van liberaal senator Raoul Vreven, vader van de latere minister van Defensie Alfred Vreven: "Om Congo te verdedigen in een eventuele nieuwe wereldoorlog [de Koude Oorlog tussen het Westen en het communistisch blok was volop aan het woeden] is het bestaande verdedigingssysteem ontoereikend. De Weermacht [Force Publique] zou het in geval van conflict reeds lastig hebben om de binnenlandse veiligheid te verzekeren". Hoewel de Force Publique uit zwarte troepen bestond, werd toch ook die legermacht geleid door exclusief blanke officieren.

Overigens pleitte Vreven senior, later liberaal minister van Staat, ervoor om de Force Publique rechtstreeks onder het bevel te brengen van de staff van het Belgisch Leger nu dat zich toch aan het vestigen was in Congo.

En zeggen dat de Weermacht helemaal geen lessen in heldhaftigheid en militaire efficiënte te krijgen had van het moederlandse leger. Het Belgisch Leger had zich in 1940 roemloos overgegeven aan de Duitse Nazitroepen. De Congolese Weermacht was daarentegen niet gecapituleerd. Meer zelfs, de vooral uit zwart kanonnenvlees bestaande troepen waren zelf in het tegenoffensief gegaan en zij hadden in 1941 Ethiopië bevrijd van de Italiaanse fascisten en waren in 1943 in gevecht met de beruchte Duitse troepen van Rommel de Saharawoestijn doorgestoken tot in Egypte.

Alleen blanken

Nog minder hield de Ieperse liberale volksvertegenwoordiger Hilaire Lahaye een blad voor de mond in 1953. In een interpellatie aan minister van Landsverdediging Etienne De Greef (partijloze technocraat) noemde hij het een schande dat de legerbasis van Kamina 'inboorlingen' tewerkstelde in een verhouding van 5000 'negers' tegenover slechts 1150 Belgische militairen: "De inboorlingenwijken zijn geplaatst in de onmiddellijke nabijheid van de opslagplaatsen, dan wanneer de blanke troepen van deze opslagplaatsen zijn gescheiden".

Het allerergste vond hij nog dat "in de centrale burelen van de basisbevelhebber" er "inlandse klerken, dactylo's en zelfs instructeurs" waren aangeworven: "alle militaire papieren moeter door de handen gaan van de inboorlingen". De Ieperse liberaal vreesde onomwonden dat het zwarte personeel bij onlusten de transportvliegtuigen zou saboteren zodat de para's niet zouden kunnen uitrukken. Zijn conclusie was ferm: "Men mag alleen blanken toelaten in de Kaminabasis!".

accongo 3004

Apen

Met die debatten op de achtergrond trok de Kortrijkse senator Arthur Clays mee met de senaatscommissie mee naar Congo. De socialistische senator zelf wijdt in zijn reisindrukken nauwelijks een woord aan die kwestie. Toch verzamelde hij daarover heel wat documentatie. In elk geval is het geredetwist in de senaat in de vroege jaren vijftig uitermate ontluisterend over de opvattingen die sommige gezaghebbende politici toen koesterden, amper vijf jaar voor de kolonie onafhankelijk werd.

De Kortrijkse politicus was veeleer sceptisch ten opzichte van de Belgische imperialistische ambities en het militaire borstgeklop. Zo schrijft hij met enige tegenzin over zijn eerste dag (23 september 1955) in Leopoldstad (Kinshasa): "Wij dienden met de ganse commissie een militaire hulde te ondergaan". Ook als het gezelschap op woensdag 28 september 1955 met de DC-3 in Kamina aankomt, is Arthur Clays veeleer verveeld met het gedoe: "Muzieken, wapenschouw enzovoort". Hij verspilt er geen woorden meer aan. Zijn aandacht gaat naar iets heel anders: "Daar kan ik eindelijk de eerste levende aap over de straat zien wippen". Eerder had hij al dode apen opgemerkt, in Luluaburg (Kananga): "Ze werden naar de markt gebracht. Het was pijnlijk de kopjes van die prachtige diertjes te zien hangen, doch de neger moet ook eten" (sic).

Maar ook andere zaken waren de senator niet ontgaan. Hij is onaangenaam verrast door de rassenscheiding: "De inboorlingen worden afgezonderd van de blanken". Uit zijn documentatie blijkt dat men voor de inlandse personeelsleden van de legerbasis Kamina 'woonblokken' en 'dubbelwoningen' bouwt en voor de 'Europeanen': 'huizen'. Uit een senaatsverslag van de bespreking van de begroting van Landsverdediging van 1952 blijkt: "Talrijke inlanderswoningen zijn klaar maar ze worden voorlopig  door de Europeanen ingenomen". Uit een interpellatie blijkt later dat het gaat om 'barakken'. Rudimentaire onderkomens voor de Congolezen dus en riante huizen voor de Belgen.

accongo 2007

Loondiscriminatie

Wat senator Clays ook schokte was de grove loondiscriminatie tussen het inlands en Belgisch personeel. Het senaatsverslag van de bespreking van de Defensiebegroting voor 1955 liet niets aan de verbeelding over. Verslaggever Edmond Machtens, socialist, maakt melding van volgende bevindingen. Het inlands personeel van de moederlandse basissen Kamina en Kitona (Banana) is voor zijn verloning ingedeeld in vijftien klassen, met een jaarwedde die schommelt tussen 2280 Belgische frank per jaar en 31.800 frank. Daar wordt bij vermeld dat die lonen beduidend meer waren dan wat de inlanders konden verdienen bij de kolonisten.

Toch zinken die lonen voor de zwarten in het niet in vergelijking met de lonen voor het Belgische personeel. De Belgen kregen daar een basiswedde die overeenkwam met wat zij voor hetzelfde werk zouden verdienen in de Belgische kazernes en de bezettingstroepen in Duitsland. Maar daarbovenop kregen zij nog een scala van extra toeslagen. Vooral de Afrikatoelage van 66.000 frank per jaar woog door, aangevuld met diverse kinderbijslagen, een toelage voor de echtgenote, een specialistenpremie, vakantiegeld, kledijvergoeding en nog meer premies. Dat alles geïndexeerd, in 1955 tegen 155%.

De gemiddelde jaarwedde van het Belgisch personeel op de moederlandse legerbasissen bedroeg in 1955 248.661 Belgische frank. Voor hetzelfde werk was dat gemiddelde in België zelf 99.457 frank.

accongo 3005

Soldij

Op de basissen konden ook miliciens hun dienstplicht volbrengen. Het aantal kandidaten lag tien keer hoger dan het aantal plaatsen. Die miliciens - van soldaat tot lagere officier - werden voor hun dagelijkse behoeften ten laste genomen door de Belgische Staat, die hun voeding, huisvesting, kleding en uitrusting op zich nam. Die miliciens kregen dus zogezegd geen loon maar ze kregen wel een 'soldij'. Voor een gewone soldaat bedroeg die soldij na een jaar 11.315 frank; voor een onder-luitenant was dat 39.603 frank.

Zoveel meer dan de hoogste lonen voor de inlanders was dat niet, kan men denken. Maar bovenop de soldij kwamen daar nog de 'dagvergoedingen' bij. Die dagvergoedingen leverden de gewone soldaten nog eens 25.459 frank op, samen met de soldij was dat dus 36.774 frank, of toch al zowat 5000 frank meer dan de best gespecialiseerde inlanders. Onze Kortrijkse socialist stelt in zijn reisindrukken vast dat "er onder de negers technici zijn die goed zijn opgeleid in allerhande vakken, tot zelfs gespecialiseerde opdrachten op het vliegveld". Een Belgische onder-luitenant kreeg er nog eens 36.744 frank als dagvergoedingen bij, alles bijeen: 76.347 frank per jaar om bijna in zijn geheel op zijn spaarboekje te zetten.

accongo 3002

Kapitein

Geen wonder dat de inlandse werkkrachten op de basissen zochten naar wat bijverdiensten. Congoreiziger Clays noteert in zijn reisindrukken volgende anekdote bij zijn bezoek aan het negerdorp Bakville nabij de legerbasis in opbouw in Kitona: "De tolk maakte aan het dorpshoofd duidelijk dat de blanke bezoekers het gezelschap hadden van de gouverneur van de provincie Beneden-Congo. Prompt antwoordde de man: "Wel, ikzelf ben hier de kapitein!". Tegen een frank het stuk bood hij ons uit planten en bladeren gevlochten matten aan, die geschikt waren als dakbedekking voor de hutten".

accongo 2013

Dit stuk maakt deel uit van een feuilleton naar aanleiding van de vijftigste verjaardag van de onafhankelijkheid van Congo op 30 juni 2010. Er komen nog meer afleveringen, met originele, nooit eerder gepubliceerde foto's. De inleidende aflevering verscheen op 1 juni, de eerste aflevering op 7 juni 2010.

17:57 Gepost in Algemeen | Permalink | Commentaren (2) |  Facebook |

Commentaren

Beste,

Kan u even uw e-mailadres zenden aub? Ik had graag met u over de ze foto's even gemaild.

Hartelijk

Paule Verbruggen
Amsab-ISG

Gepost door: Paule Verbruggen | 23-08-10

Beste Paule,

Het is de bedoeling dat die foto's en alle bijhorende documentatie - keurig verpakt in de originele archiefdozen - uiteindelijk naar uw gewaardeerd instituut komen.

Wel wil ik er eerst nog een of twee afleveringen voor mijn feuilleton uit distilleren en op 3 december ben ik gevraagd voor een voordracht daarover voor de Kortrijkse reisclub Antipode (http://www.reiscafeantipode.be).

Mijn mailadres is kortrijk@marclemaitre.be

Hartelijke groet,

marc

Gepost door: marc lemaitre | 23-08-10

De commentaren zijn gesloten.