02-04-06

 ZONDAG 2 APRIL 2006: hoe de stad Kortrijk-Buiten heeft binnengedaan

 

Kortrijk-Buiten was tot 1796 de naam van het gebied buiten de Kortrijkse stadsmuren dat belastingen betaalde aan de stad. Het lag vooral aan de zuidkant. Het was landbouwgebied. Het bleef open landschap tot de stad het in de na-oorlogse periode in slechts enkele decennia overrompelde. De stedelijke agglomeratie groeide tot meer dan het dubbele. Aan die ophefmakende verstedelijking zal de naam verbonden blijven van burgemeester Lambrecht, onder wiens bewind het stadsbestuur een heel actieve uitbreidings- en verkavelingspolitiek voerde. Veel opmerkelijke architectuur heeft die vloed van verstedelijking niet opgeleverd. Maar wie de nieuwe stad met onbevangen ogen poogt te bekijken, wordt getroffen door al dat groen in de straten.

"Ruimte was daar in ieder geval in overvloed" liet Ivo Joris Lambrecht, bugemeester van Kortrijk van 1959 tot 1982, schrijven in zijn memoires, "50 jaar sociaal & politiek engagement" (Drukkerij Vooruitgang Kuurne, 1985). Hij had het over het uitgestrekte landbouwgebied in het zuiden van Kortrijk.

Tot aan de democratische interventie van de zonen van de Franse Revolutie in 1796 was dat gebied een soort fiscaal wingewest voor de stad achter zijn versterkte muren en grachten. Onder Frans revolutionair bestuur werd het een integraal deel van de stad. Blijkbaar zagen de beleidsvoerders het gebied vooral als een ... leegte, die naar goeddunken kon opgevuld worden. Bewondering voor de open ruimte is pas later opgedoken.

Het Kortrijk-buiten-de-muren lag vooral in het zuiden van het stadje. In het noorden begon achter de versterkingen van Overleie onmiddellijk de gemeente Heule. Die gemeentegrens behoedde het noordelijke gebied lange tijd voor stadsuitbreiding, hoewel thans ook daar 'de gaten gevuld worden' - het zuiden is immers grotendeels toegebouwd.

Nieuw Kortrijk

Zoals bij een pot melk begon het overkoken van Kortrijk heel langzaam (of 'pianekens-an' zoals oude Kortrijkzanen het soms nog wel eens uitdrukken). Voor de tweede wereldoorlog had het stadsbestuur al de uitbouw bevorderd van 'Nieuw Kortrijk'. De waterzieke grond (eigenlijk de Gavers van Kortrijk) in de driehoek gevormd door de spoorweg naar Gent, de spoorweg naar Ronse (inmiddels afgeschaft en bijna veranderd in een fietspad naar Zwevegem) en de vaart Kortrijk-Bossuit, werd opgehoogd.

Het gaat om de wijk Goedendaglaan-Vredelaan. Zelfs als men er de aangrenzende buurt van de Hugo Verriestlaan bijneemt, is dat maar een bescheiden uitbreiding in vergelijking met wat nog moest komen.

Met geld van de eerste wet-De Taeye bouwde de stedelijke sociale huisvestingsmaatschappij Goedkope Woning in 1951-1955 een sociale wijk aansluitend bij eerder gemeld Nieuw Kortrijk. De wijk is merkwaardig om meer dan een reden. Hoewel het allemaal woningen zijn in dezelfde stijl - traditionele baksteengevels -, was het een mengeling van huur- en koopwoningen. De huurders kregen bovendien het recht hun woning na verloop van tijd aan te kopen met aftrek van een deel van de huur die ze al betaald hadden (zogenaamd BA-woningen, vlug afgeschaft wegens onbetaalbaar voor de overheid).

Hier zag men ook voor het eerst een type woningen opduiken dat naderhand heel populair zou worden in Kortrijk: rijhuizen met keldergarages. Nog meer vooruit op de tijd waren de 'duplex-woningen', waarin twee gezinnen boven elkaar gehuisvest werden, een soort kangoeroewoningen avant-la-lettre hoewel ze door de maatschappij nooit op die manier zijn uitgebaat. De huurwoningen in de wijk zijn heden ten dage dringend aan renovatie toe.

De Blauwe Poort

In 1951 werd Ivo Joris Lambrecht schepen van Ruimtelijke Ordening en hij besloot actief aan grondbeleid te doen, 'ter bestrijding van de grondspeculanten die de grondprijzen de hoogte injagen'. Hij liet zijn oog vallen op 24 hectare grond van de hofstede De Blauwe Poort, aan de rand van het bebouwde deel van de stad tussen de Doorniksesteenweg en de Sint-Denijsestraat.

Er werd een bijzonder plan van aanleg goedgekeurd voor de bouw van 600 woningen rond een groot park met groene tentakels tot ver in de nieuwe wijk. De helft van de woningen werd gebouwd als sociale woningen, gemengd koop en huur; de andere helft van de bouwkavels werd beschikbaar gesteld aan private bouwers tegen 'sociale' - zeg maar heel schappelijke - grondprijzen.

Er was veel tegenstand tegen dat 'communistisch' genoemde initiatief. Toemalig burgemeester Jules Coussens probeerde in extremis nog de hele stadsuitbreiding te privatiseren. Maar Lambrecht dreef zijn wil door. Alle gronden van de landbouwer konden in de minne tegen minder dan 50 frank per m² aangekocht worden. Deze eerste grootschalige stadsverkaveling werd uitgevoerd rond 1956. De omgrachte hoeve in kwestie werd behouden als ontmoetingscentrum voor de nieuwe wijk. Later heeft de stad het schilderachtige pand in concessie gegeven aan een horeca-uitbater.

Ook in die urbanisatie werd baanbrekend werk geleverd. Op aangeven van vooruitstrevend ingenieur Mertens (ministerie van Openbare Werken) werd de wijk ontworpen als een net van doodlopende woonstraten ('pijpenkoppen'), die met elkaar verbonden werden door wandeldreven. Veel van dat uitbundig groen werd aangelegd door ploegen tewerkgestelde werklozen in de crisis op het einde van de jaren 50.

Sint-Elisabeth

In diezelfde periode liet het stadsbestuur aan de andere zijde van de Sint-Denijsestraat het private initiatief nieuwe straten bevolken. Als exponent van de stadsuitbreiding liet het stadsbestuur een nieuwe katholieke parochie erkennen en een kerk bouwen die met haar reusachtige afmetingen de stedelijke ambitie veruitwendigde: de Sint-Elisabethkerk (architecten Stefaan Coigné en Jan Boucquillon). Het stadsbestuur voorzag de ontkerkelijking niet die zou volgen; de kerk blijkt thans veel te groot te zijn.

Precies in de Sint-Elisabethsparochie vind je hele straten met keldergaragewoningen. Het gaat om rijwoningen, die merkelijk groter zijn dan wat men in Kortrijk tot dan placht te bouwen - het was dan ook de periode van de babyboom. Van zo een woning wordt de gelijkvloerse verdieping anderhalve meter boven het straatniveau gebouwd. Daaronder komt een slechts half ingegraven kelderverdieping die met een poort toegang geeft op de straat en van waaruit men achteraan rechtstreeks de tuin in kan. Eigenlijk vind ik dat nog altijd een zeer rationele manier van bouwen. Het zijn ruimtebesparende rijwoningen en toch krijg je ademruimte. Het feit dat je vanuit de living of de keuken uit de hoogte op de rest van de wereld kijkt, geeft een veilig gevoel en werkt een optimistische ingesteldheid in de hand. 'Urbanistische psychologie', ahum...

De Drie Hofsteden

Na het succes van het experiment van de Blauwe Poort, wilde de stad verder gaan op die weg. Om de grote grondhandel die men wou opzetten, niet rechtstreeks op de stadsbegroting te laten wegen, wou men een stedelijke grondregie oprichten. Het mocht niet van Brussel. Pas in 1969 kwam de toestemming.

Zo lang wou men niet wachten. In het verlengde van Nieuw Kortrijk, tussen de Oudenaardsesteenweg en de spoorlijn naar Ronse (ja, dat fietspad) maakte de stad een BPA van 30 hectare. Eigenlijk was het de vallei van de Klakkaerdsbeek, maar het werd de Drie Hofsteden genoemd. Met hulp van de Spoorwegen werd de stinkende beek gesaneerd en overwelfd. In de lager gelegen delen werd een grote vijver aangelegd.

Maar er kwam een kaper op de kust: het Ministerie van Onderwijs dat een grote hap nam uit het gebied voor de bouw van een scholencampus. Thans is daar het gemeenschapsonderwijs gevestigd, waar men school kan lopen van de kleuterklas tot het hoger onderwijs.

Het grootste deel van het resterende gebied werd bebouwd door Goedkope Woning. Voor het eerst bouwde de sociale huisvestingsmaatschappij flatgebouwen. Het was oorspronkelijk de bedoeling er 3 blokken van 10 verdiepingen te bouwen; door het grondverlies aan de school werden het er maar twee. De huurders hebben er het mooiste uitzicht van Kortrijk. Aan hun voeten ligt een schitterend park in Engelse landschapsstijl en daarachter zien de bewoners dag in dag uit de bedrijvige stad. De appartementen zijn nog altijd zeer gegeerd.

Het andere deel van de wijk was bestemd voor eengezinswoningen. Goedkope Woning bouwde er een honderdtal kavels, ook hier weeral gemengd koop en huur. Verderop mochten particulieren aan de slag en de meesten kozen voor alleenstaande woningen, een bouwoptie die later een klassieke verkaveling zou genoemd worden maar toen nieuw was. De ontwikkeling van de Drie Hofsteden duurde van 1959 tot 1973.

Kortrijk-Zuid

Dit alles was nog maar de aanloop voor de grote overrompeling van het zuiden van Kortrijk. Halverwege de jaren 60 maakte het stadsbestuur een groots opgevat structuurplan Kortrijk-Zuid. Het ging om een immens gebied van niet minder dan 224 hectare tussen de Doorniksesteenweg en de Oudenaardsesteenweg. Het gebied was niet alleen bestemd voor bewoning. Ook de campussen van de Kukak en de Catho mochten er ettelijke hectaren innemen. Later opteerde men ervoor om aansluitend aan beide campussen, in een zone voor publieke bestemmingen, een researchpark in te richten. Maar bewoners van omliggende stadsverkavelingen organiseerden een doeltreffend verzet. Het is het enige deel van het gebied dat nog niet is aangesneden.

Goedkope Woning mocht er een aanzienlijke sociale woonwijk bouwen (de Lange Munte, van 1966 tot enkele jaren geleden). Deze keer waren het hoofdzakelijk huurwoningen. Een innovatie waren daarbij de patiowoningen, ingenieus ontworpen bungalows, nog altijd zeer gegeerd bij de kandidaten op de wachtlijst. De stad bouwde ook enkele van die bijzondere rijwoningen, om te verkopen.

Zowel private initiatiefnemers als de stad en later de Grondregie mochten er naar hartelust verkavelen. Hoewel de stadskavels merkelijk goedkoper waren, zie je geen verschil in bouwtypes: alle mogelijke vormen van villaatjes zijn er te zien, van fermettes tot kubistische ontwerpen. Uitzonderlijk experimenteerde men met moderne vormen van rijwoningen, op de Vlaskouter bijvoorbeeld. Doch de meeste woningen staan apart, omringd door tuinstroken. Maar soms staat het villaatje van de buur slechts op armlengte. Hadden ze dan niet beter rijwoningen gebouwd?

Die tuinstroken zijn in veel gevallen niets anders dan opsmuk, meer kijkgroen dan gebruiksgroen. Maar al dat private groen, geeft de wijken een algemene groene aanblik. En dat zal wellicht ook de verwondering zijn van de komende generaties als zij op wandel gaan in de wijken van het einde van de twintigste eeuw: het is een aaneenschakeling van tuinen, met elkaar verbonden door beboomde lanen en ander openbaar groen.

Intussen is het besef gegroeid dat het voor de stad niet bevorderlijk is nog verder uit te breiden. De verkaveling van de laatste kavels van de Grondregie, Goed te Bouvekerke aan de Ambassadeur Baertlaan, wordt dan ook door het stadsbestuur beschouwd als de grens. Bovendien wordt het een verkaveling met een pak rijwoningen en een flatgebouwtje.

Ik weet dat de 'onvermoede hoek' van vandaag te uitgestrekt is voor een wandeling te voet. Maar het gebied is goed af te fietsen: een verkenning van de evoluties van de ruimtelijke ordening in Kortrijk, met veel groen als toemaat.

Meer foto's op: http://kortrijkonvermoedehoekjes.skynetblogs.be

 

De commentaren zijn gesloten.